Deze nieuwsbrief is ook te downloaden als Word document: klik.

Nieuwsbrief # 10

===================================================================
17 december 2007

redactie: Peter Tellegen

Heymans Instituut
Rijksuniversiteit Groningen

===================================================================

Geachte lezer,

De vorige Nieuwsbrief dateert van bijna drie jaar geleden. Dit was niet doelbewust, maar het gevolg van het feit dat de afgelopen jaren veel aandacht is besteed aan de ontwikkeling van een nieuwe versie van de SON-R 5,5-17, aan het internationale normeringsonderzoek met de SON-R 2,5-7 en de ontwikkeling van een nieuwe versie van het computerprogramma van de NIO, waar een correctie voor benadeling van allochtone leerlingen wordt ingebouwd. Dit alles liet weinig tijd voor de Nieuwsbrief.

Recente ontwikkelingen rond het naar buiten brengen van testmateriaal maken het echter gewenst om niet met een reactie te wachten.

===================================================================

Vertrouwelijkheid van testmateriaal en de nieuwe beroepscode van het NIP

In de nieuwe “Beroepscode voor psychologen 2007 van het Nederlands Instituut van Psychologen”, die per 1 april 2007 is ingegaan, worden bij de omschrijving van datgene wat tot het persoonlijk dossier van de cliënt behoort, ruwe testgegevens niet expliciet hiervan uitgesloten zoals wel het geval was bij de Beroepscode 1998. In een artikel van W.K.B. Hofstee, Recht op afschrift van het dossier. Komen tests nu op straat, in het november nummer van “De Psycholoog”, wordt als reden voor deze wijziging vermeld dat het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) de Raad van Advies in Beroepsethische Zaken van het NIP (Rabez) heeft overtuigd dat deze uitzonderingsbepaling in strijd is met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). Conform de WBP heeft de cliënt recht op inzage in zijn dossier en in artikel III.3.2.9 van de Beroepscode 2007 staat dan ook dat de psycholoog de cliënt desgevraagd inzage in en afschrift van zijn persoonlijk dossier geeft.

Tot zover is er weinig aan de hand. Kennis van de ruwe testscores kan voor de cliënt nuttig zijn, bijvoorbeeld om te laten nagaan wat de uitkomst is bij gebruik van nauwkeurige normen in plaats van de normen gebaseerd op grove leeftijdsintervallen. Bovendien zijn de ruwe scores nodig om juiste uitkomsten te verkrijgen indien blijkt dat de leeftijd van de cliënt verkeerd is berekend. Dit pleit ervoor om de ruwe scores (althans op het niveau van subtestscores) in het dossier te hebben, in ieder geval tot de cliënt over de uitkomsten is geïnformeerd en zich daar een mening over heeft kunnen vormen.

In het eerder genoemde artikel van Hofstee worden aan het schrappen van de uitzonderingsbepaling met betrekking tot de ruwe testgegevens echter consequenties verbonden, die door het NIP en de COTAN reeds in praktijk worden gebracht. Dit heeft rampzalige gevolgen voor de mogelijkheden van psychologen om tests te gebruiken en dit betekent het einde van de testpsychologie in Nederland. Hofstee stelt namelijk: “De cliënt krijgt dus desgevraagd een kopie van zijn of haar testgegevens. Daaronder moet worden verstaan: de testvragen met de daarbij behorende antwoorden. Met name krijgt de cliënt dus desgevraagd een kopie van de test of vragenlijst; immers, zonder die vragen hebben de antwoorden geen betekenis.

De consequenties van dit standpunt zijn immens. Psychologische tests verliezen hun betekenis als cliënten vooraf kennis hebben kunnen nemen van de vragen en de antwoorden. Iedere psycholoog is zich hiervan bewust en daarom wordt met het testmateriaal zeer zorgvuldig omgegaan. De verkoop van het testmateriaal is ook voorbehouden aan personen die op grond van beroep en opleiding ter zake kundig zijn. Expliciet zijn in de koopovereenkomst tussen psycholoog en testuitgevers bepalingen opgenomen die het recht om het materiaal te kopiëren binden aan schriftelijke voorafgaande toestemming van de uitgever.

Behoudens een enkel incident wordt op deze wijze de vertrouwelijkheid van het testmateriaal gewaarborgd. Dit is te danken aan een normbesef dat men als psycholoog tijdens de opleiding meekrijgt, en aan het besef dat door openbaarmaking van testmateriaal enorme schade wordt toegebracht, niet alleen aan auteurs en uitgevers maar ook aan collega’s die deze tests niet meer kunnen gebruiken.

In Nederland worden jaarlijks tientallen tests afgenomen bij vele duizenden cliënten. Daarnaast zijn er nog de vele toetsen, tentamens etc. waarop de Wet Bescherming Persoonsgegevens in principe eveneens van toepassing is. Het is een eenvoudige zaak om van het recht op inzage in het persoonsdossier gebruik te maken. Een e-mail volstaat en een motivatie voor het verzoek hoeft niet te worden gegeven. De kosten die de psycholoog in rekening brengt mogen niet hoger zijn dan € 4,50. Dit betekent dus dat volgens de richtlijnen van het NIP duizenden personen nu de gelegenheid wordt geboden in het bezit te komen van psychologische tests. Hofstee stelt wel een aantal maatregelen voor om het risico te verkleinen dat het testmateriaal vervolgens ook in andere handen komt, zoals een stempel op de kopie en het laten tekenen van een verklaring dat men zal zorgen dat het materiaal niet verder wordt verspreid. Deze maatregelen bieden echter in geen enkel opzicht een garantie tegen misbruik. Bovendien zou het wel eens onwettig kunnen zijn om van een cliënt de garantie te eisen dat hij de inhoud van zijn persoonlijk dossier niet zal delen met anderen. Het lijkt erop dat ook Hofstee weinig vertrouwen heeft in de effectiviteit van dergelijke maatregelen, ze worden althans niet bij de subfaculteit Psychologie van de RuG toegepast om verspreiding van oude tentamenopgaven tegen te gaan, een praktijk die in de woorden van Hofstee “een afschrikwekkend voorbeeld uit de riolen van het hoger onderwijs” is.


Is de psycholoog gedwongen het testmateriaal op verzoek te kopiëren?

Volgens Hofstee valt hier niet aan te tornen: “Vooraf valt in de eerste plaats op te merken dat het recht op afschrift van testmateriaal niet meer ter discussie staat. De Rabez en met name zijn juridisch medewerkers, hebben in verschillende fasen alles uit de kast gehaald om het CBP tot andere gedachten te brengen, maar hebben zich gewonnen moeten geven. Een collega die zo’n afschrift weigert, wordt dus niet meer door de Beroepscode beschermd”. In recente correspondentie tussen een ouder, een psycholoog en de COTAN met betrekking tot de vraag van de ouder of zij recht heeft op een kopie van de NIO, een schriftelijke intelligentietest, wordt door de COTAN gesteld dat zij daar in juridisch opzicht recht op heeft. Ook in contact dat ik hierover met de Rabez heb gehad word benadrukt dat het NIP tot deze handelwijze is gedwongen door het standpunt van het CBP. Zo bezien liggen aan de verstrekking van het testmateriaal wettelijke regels ten grondslag die het NIP respecteert en waaraan natuurlijk evenzeer niet-aangesloten psychologen dienen te voldoen. Dankzij de gedragscode is het voor een cliënt echter gemakkelijker om een psycholoog die bij het NIP is aangesloten, hierop aan te spreken.

Er zijn echter wel een aantal redenen om kanttekeningen te plaatsen bij deze voorstelling van zaken:

  • Het is merkwaardig dat voorafgaande aan de behandeling van de nieuwe beroepscode de leden van het NIP niet uitgebreid zijn voorgelicht over de consequenties die deze verandering van de beroepscode zouden hebben. Volgens de stafmedewerker van de COTAN is het artikel van Hofstee in “De Psycholoog” het eerste waarin deze gevolgen naar voren zijn gebracht. Op de website van de COTAN is in mei 2007 wel een stukje verschenen over de wijziging van de beroepscode maar daarin wordt met geen woord gerept over het ter beschikking stellen van het testmateriaal.
  • Bij belangrijke situaties waarin de toepassing van de Wet Bescherming Persoonsgegevens niet zonder meer duidelijk is, kan het CBP zich hiermee bezig houden en tot bindende uitspraken komen. Deze uitspraken zijn openbaar en kunnen ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. Aangezien het gebruik van psychologische tests op het spel staat, is het verwonderlijk dat het NIP een dwingende uitspraak van het CBP om kopieën van testmateriaal aan cliënten te verstrekken, niet aan de rechter heeft voorgelegd.
  • Het blijkt echter dat op de website van het CBP geen referenties naar een dergelijke uitspraak zijn te vinden. Ook de afdeling voorlichting van het CBP was hierover niets bekend. Het CBP zal verder uitzoeken hoe dit zit.

Mogelijk heeft de bemoeienis van het CBP zich ertoe beperkt dat het NIP niet langer mag stellen dat de ruwe testgegevens niet tot het dossier behoren. Dit zijn namelijk door de persoon verstrekte gegevens en het is niet in te zien welk belang zou worden geschaad door een kopie van deze gegevens aan de cliënt te geven.

Voor de testopgaven ligt dit echter volstrekt anders. In de eerste plaats is niet gezegd dat de test als instrument onderdeel uitmaakt van het persoonlijk dossier. Evenmin als dat een röntgenapparaat deel uitmaakt van het medisch dossier. De patiënt heeft wel recht op een kopie van de foto maar niet van het apparaat. Het kan natuurlijk wel zo zijn dat de cliënt nadere kennis van het testmateriaal nodig heeft om zich een betere mening te kunnen vormen en eventueel het oordeel van de psycholoog aan te kunnen vechten. Vanuit dit perspectief is trouwens toegang tot de testhandleiding zeker zo belangrijk als toegang tot de testvragen en kan het zinvol zijn ook deze te beschouwen als onderdeel van het dossier. Voor het testmateriaal geldt echter in alle gevallen, en voor de testhandleidingen in veel gevallen, dat het onwenselijk is dat deze de cliënt ter hand worden gesteld zonder dat er een garantie is dat de inhoud niet verder wordt verspreid. Er is ook geen noodzaak om het testmateriaal uit handen te geven. Ook wanneer dit testmateriaal in de zin van de wet onderdeel zou zijn van het persoonlijk dossier dan betekent het recht op inzage niet automatisch dat kopieën worden verstrekt. Indien dat grote (economische) schade teweegbrengt, of wanneer de rechten van anderen worden geschonden kan de cliënt de mogelijkheid worden geboden dit deel van het dossier in te zien bij de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid de test is afgenomen. Dit is ook al jaren de praktijk.

Indien het inderdaad zo is dat het kopiëren van het testmateriaal niet dwingend door het CBP is voorgeschreven, dan is dit een eigen invulling van de beroepscode door het NIP. Indien de leden daarmee akkoord gaan, is daar weinig tegen in te brengen. Het betekent dan wel dat er geen enkele wettelijke basis is om aan het auteursrecht en aan de koopovereenkomst met de testuitgever voorbij te gaan. Dit betekent dat psychologen-NIP die aan de cliënt kopieën willen verstrekken, dat alleen kunnen doen als zij hiervoor vooraf van de uitgever schriftelijke toestemming hebben gekregen. Aangezien deze toestemming niet zal worden gegeven, is de consequentie van het standpunt van het NIP dat de bij het NIP aangesloten psychologen geen psychologische tests meer kunnen afnemen.


Auteursrecht en koopovereenkomst

In het auteursrecht zijn bepalingen opgenomen die het verspreiden van gedrukt materiaal, zonder dat de maker daarvoor toestemming heeft gegeven, strafbaar stellen. Hier zijn wel uitzonderingen op mogelijk maar in nieuwe situaties is het de rechter die zal moeten uitmaken of deze van toepassing zijn. Daarnaast hebben degenen die tests gebruiken te maken met de bepalingen in de koopovereenkomst met de uitgever, waarmee zij zich akkoord hebben verklaard. Hierin staan vaak nadere bepalingen met betrekking tot het recht kopieën te maken. Zo staat in de algemene verkoopvoorwaarden van Boom test uitgevers dat het de Afnemer niet is toegestaan (en dit geldt zonodig in aanvulling op auteursrechten) om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Boom test uitgevers testmateriaal geheel of gedeeltelijk te verveelvoudigen of openbaar te maken, tenzij dit geschiedt voor eigen oefening, studie of gebruik welke strikt privé van aard is. De afnemer gaat er ook mee akkoord dat alle geschillen die voortkomen uit de gesloten overeenkomst worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam. Volgens Hofstee zou voor het maken van een kopie van het testmateriaal voor de cliënt in het kader van een ‘administratieve procedure’ geen toestemming van de uitgever nodig zijn. In het licht van het voorgaande is het niet aannemelijk dat de rechter dit standpunt zal delen. In ieder geval doet men verstandig een gerechtelijke uitspraak hierover af te wachten.


Oordeel van een jurist

Naar aanleiding van het artikel van Hofstee is door een van de testuitgevers de mening gevraagd van een jurist van het Nederlands Uitgeversverbond, een specialist op het gebied van het auteursrecht. Naar zijn mening gaat het verstrekken van een kopie van de testvragen te ver. “Een kopie van de antwoorden en inzage in de testvragen beantwoordt volledig aan het belang van de cliënt, en respecteert het exploitatiebelang”.


Conclusie

Tenzij op grond van overleg tussen auteurs/uitgevers en het NIP op korte termijn overeenstemming wordt bereikt over handhaving van de vertrouwelijkheid van testmateriaal en het respecteren van het auteursrecht, is het onvermijdelijk dat middels juridische procedures het oordeel van de rechter wordt gevraagd. Tot dit oordeel er is kunnen psychologen beter geen testmateriaal aan anderen verstrekken, ook al zegt het NIP of de COTAN dat zij daartoe verplicht zijn. Zolang niet door de rechter is vastgesteld dat het auteursrecht en de bepalingen van de koopovereenkomst in deze situatie niet van toepassing zijn, is het onverantwoordelijk dat het NIP oproept tot het verstrekken van kopieën. De psycholoog-NIP kan zolang een beroep doen op artikel I.1.1.4 van de beroepscode die het naleven van wettelijke regels stelt boven de bepalingen van de beroepscode.


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests