Problemen met de NDT Problemen met de NDT SPAM van de NDT auteurs SPAM van de NDT auteurs Kwaliteit NDT ter discussie Kwaliteit NDT ter discussie .


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.


De kwaliteit van de NDT-2004 ter discussie

Peter Tellegen

mei 2005

Persoonlijkheids- en Differentiële Psychologie RuG

.


In april 2005 is door Van Hoorn, Van der Kamp en Den Brinker,
de auteurs van de Nederlandse Differentiatie Testserie-2004, gereageerd op een aantal opmerkingen die wij begin dit jaar over deze test hebben gemaakt
(zie Nieuwsbrief # 9 van Tests & Test-research).
Hieronder onze reactie op de toelichting van de NDT-auteurs.


§ 1 Tellegen: ‘De NDT (Nederlandse Differentiatie Testserie) heeft een nieuwe normering voor groep 8 van het basisonderwijs en klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs. Er worden verschuivende normen toegepast zodat de test gedurende het gehele schooljaar kan worden afgenomen’.

Toelichting van de NDT-auteurs: In het voorjaar van 2004 is door ons een nieuw normeringsonderzoek uitgevoerd voor het vaststellen van NDT-normen voor de klassen 1 en 2 van het Voortgezet Onderwijs. In oktober 2004 hebben wij ons wetenschappelijk verslag dienaangaande aan de Cotan, de Commissie Testaangelegenheden van het NIP, voorgelegd. In januari 2005 heeft de Cotan deze nieuwe normen van de NDT-2004 positief beoordeeld (zie www.cotan.nl en klik op de link actueel en NDT-Nieuwsbrief Nr. 5 van maart 2005).
In het aan de talrijke gebruikers van de NDT-2004 toegestuurde Deel IV van de handleiding wordt gesteld:
‘Er is gekozen voor een vloeiende, dat wil zeggen over schooljaren heen doorlopende correctie. Hierbij wordt gelet op het aantal in het lopende schooljaar verstreken dagen. Dat kan ten hoogste 303 dagen zijn, omdat de maanden juli en augustus niet meegeteld worden. Hierdoor worden de resultaten van een leerling die aan het eind van groep 8 getest wordt, aan het begin van klas 1 aan nauwelijks zwaardere normen onderworpen. De resultaten van een leerling die aan het begin van het schooljaar getest wordt, worden aan het eind van het schooljaar onderworpen aan gemiddeld circa 5 punten zwaardere normen.’


Reactie Tellegen: De toelichting van de NDT-auteurs spreekt voor zich.



§ 2 Tellegen: ‘De COTAN heeft deze nieuwe normering als “voldoende” beoordeeld. Ongetwijfeld is het werken met verschuivende normen een belangrijke verbetering. In de handleiding van de NDT-2004 ontbreekt echter vrijwel alle informatie die nodig is om de kwaliteit van de normering te kunnen beoordelen. Het is daarom niet duidelijk hoe de COTAN tot haar oordeel heeft kunnen komen.’

Toelichting van de NDT-auteurs: Het spreekt voor zich dat de Cotan wel de beschikking had over de relevante hoofdstukken uit deel IV, Wetenschappelijke verantwoording
van de NDT-handleiding, die haar in oktober 2004 zijn toegestuurd.
De beoordelaars van de Cotan merken op: ‘De auteurs hebben zich grote moeite getroost de normen voor het voortgezet onderwijs op dusdanige wijze aan te vullen dat zij als een werkelijke afspiegeling van de schoolpopulaties in 1e en 2e leerjaar kunnen worden gezien (daarnaast is nog een kleine groep reguliere basisschoolleerlingen toegevoegd). Het aantal leerlingen per leerjaar is groot genoeg. Een belangrijke toevoeging is dat continue normen zijn geïntroduceerd d.m.v. een leerdagcorrectie. Ook dit is een belangrijke verbetering.’ (Cotan, Januari 2005).
Inmiddels is deze beoordeling door de Cotan ter kennis van de Certificeringscommissie van de RVC’s gebracht.

Reactie Tellegen: Vanzelfsprekend had de Cotan de beschikking over deel IV van de NDT-handleiding 2004. Echter, daarin worden wel beweringen gedaan over de representativiteit van de steekproef, maar gegevens waaruit blijkt dat de steekproef representatief is, ontbreken. Ook over de gevolgde methoden wordt geen of onvoldoende informatie verstrekt:

  • Er is geen informatie over de effecten van weigering van scholen en leerlingen op de representativiteit van de steekproef.
  • Er is geen feitelijke informatie betreffende de weging van de steekproef naar onderwijsniveau.
  • Binnen het VMBO wordt bij de normering (en weging) geen onderscheid gemaakt naar leerweg (BBL, KBL, GTL).
  • Gegevens ontbreken over representativiteit naar sekse, regio, stedelijkheid, SES, etnische groep
  • Het is niet bekend uit hoeveel scholen de leerlingen van de verschillende onderwijstypen afkomstig zijn.
  • Er zijn geen gegevens over de verdeling van de ruwe scores in de gewogen normgroep per leerjaar en naar onderwijsniveau.
  • Er zijn geen gegevens over de verdeling van de genormeerde scores per leerjaar en naar onderwijsniveau. Er zijn alleen zeer globale gegevens (gemiddelde en standaarddeviatie) naar drie niveaus (pro, lwo en regulier) gesommeerd over de leerjaren.
  • Vermoedelijk is in de gewogen normgroep het gemiddeld IQ 99 en niet 100. Gegevens ontbreken. De standaarddeviatie is ook niet bekend.
  • Het is niet duidelijk hoe de niet-lineaire transformatie naar genormeerde scores is uitgevoerd.
  • De informatie welke subtests het IQ bepalen is onjuist (zie § 5.).
  • Er wordt niet aangegeven welke gewichten de subtestscores krijgen voor de berekening van de IQ-score.
  • Er is geen informatie in hoeverre de normen voor groep 8 zijn veranderd.
  • Het is niet duidelijk hoe de continue leerdagcorrectie wordt uitgevoerd.

Het is niet triviaal dat deze gegevens ontbreken. Uit het overzicht van gemiddelde scores blijkt dat bij de NDT-2004 de mlk/pro-groep een gemiddeld IQ heeft van 72.0 en de lom/lwo-groep een gemiddeld IQ van 83.7. Bij de NDT-2003 waren de gemiddelden voor deze twee groepen echter 79.5 en 90.0.

Uit de gegevens valt te reconstrueren dat bij de NDT-2004 de mlk/pro-groep in groep 8 een gemiddeld IQ heeft van 79.5 terwijl het gemiddeld IQ van deze groep in klas 1 en 2 van het voortgezet onderwijs gelijk is aan 66.1, een verschil van ruim 13 punten.
Voor lom/lwo is het gemiddeld IQ in groep 8 gelijk aan 90.0 en in klas 1 en 2 is het gemiddelde van lom/lwo gelijk aan 80.9, een verschil van ruim 8 punten.
Deze belangrijke uitkomsten ontbreken in de Wetenschappelijke verantwoording. Op de grote verschillen tussen speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs wordt niet ingegaan en bij de analyses worden de leerjaren zonder meer samengenomen.




§ 3 Tellegen: ‘In de praktijk wordt geconstateerd dat de uitkomsten op de NDT weinig valide lijken. Dit is voor de RVC-VO reden geweest om de NDT dit jaar voor het laatst toe te staan. Door de nieuwe normering zijn deze problemen niet opgelost.’

Toelichting van de NDT-auteurs: In tegenstelling tot het hier zonder onderbouwing beweerde, is het Cotan-oordeel voor de validiteit van de NDT-2004 “goed” voor de criteriumvaliditeit en “voldoende” voor de begripsvaliditeit.
Voorts wordt in het Gele Katern , nr. 26 van 28 juli 2004 over de NDT door het Ministerie van OC & W het volgende opgemerkt:
“Dit jaar voor het laatst toegestaan. In afwachting van nader onderzoek is de opname in deze lijst [voor toelating tot het schooljaar 2005-2006] van de NDT slechts met één jaar verlengd.
Niet genormeerd voor leerlingen klas 1 VO. Afname in maanden oktober-december”.

Uit het reeds vermelde blijkt dat de auteurs van de NDT zich deze opmerkingen van OC & W ter harte hebben genomen. In 2004 is mede daarom uitgebreid nieuw onderzoek verricht met als resultaat dat de NDT nu door de Cotan goedgekeurde normen voor basisgroep 8, regulier en speciaal onderwijs bezit en normen heeft voor vo1 en vo2, als enige algemene intelligentietest die speciaal ontworpen is voor de toelatingsbepaling tot het praktijkonderwijs en het vmbo, met of zonder leerwegondersteuning.
De beperking tot “afname in de maanden oktober-december” is komen te vervallen vanwege de invoering van de continue leerdagcorrectie ( zie www.cotan.nl, maart 2005 en klik op de link actueel).

Reactie Tellegen: Of de test voor komend schooljaar door de RVC-VO zal worden goedgekeurd, moet nog worden afgewacht. Dat de uitkomsten op de NDT weinig valide lijken heeft te maken met de waarneming in de praktijk dat deze uitkomsten regelmatig sterk afwijken van de verwachtingen. Dit hoeft op zich niet te betekenen dat deze uitkomsten onjuist zijn, maar door het gebrek aan informatie over de normering en de ondoorzichtigheid van het computerprogramma dat bij de NDT wordt gebruikt, is het terecht dat de gebruikers en de RVC-VO waakzaam zijn.
Eerder hanteerden de auteurs een normering waarbij een goede prestatie op een testonderdeel leidde tot een lager IQ (zie § 5).
Ook heeft men enkele jaren volgehouden dat de testprestaties in de leeftijd van 11 tot 15 jaar niet noemenswaard veranderen (NDT-auteurs: "In de leeftijdscategorie van 11 tot 15 jaar verwachten we geen sterke stijging van de intelligentie. We zijn vanaf die leeftijd niet meer geïnteresseerd in de groei van iemands intelligentie maar in het stabiele profiel van intelligentiescores"). Nu gaan de NDT-auteurs uit van een stijging van ongeveer 5 IQ-punten per jaar.
Het computerprogramma werd aanvankelijk uitgebracht terwijl het grote gebreken vertoonde.
Kortom, de NDT rammelt aan alle kanten en de informatie die in de Wetenschappelijke verantwoording van de NDT-2004 wordt geboden is dermate onvoldoende dat je er niet uit op kunt maken of de test nu naar behoren functioneert.

Voor wat betreft de validiteit van de NDT zouden we de volgende vergelijkingen willen maken. De correlaties met betrekking tot de validiteit komen wel uit boven een door de auteurs gehanteerde grens van .50 maar zijn in verhouding tot de NIO niet bijzonder hoog:

- correlatie met Cito-toets NDT = .59 NIO = .78
- correlatie met schooladvies NDT = .65 NIO = .75
- correlatie met WISC-RN NDT = .63 NIO = .69

De suggestie als zou de NDT de enige test zijn met door de Cotan goedgekeurde normen voor regulier en speciaal onderwijs in groep 8 basisonderwijs en klas 1 en 2 VO, is absoluut niet juist. Zowel de NIO als de (verkorte) SON-R 5,5-17 voldoen hieraan. De normen van deze tests zijn als "goed" beoordeeld door de Cotan. Ook met betrekking tot de andere aspecten van de NIO en de SON-R is het Cotan-oordeel "goed".



§ 4 Tellegen: ‘Uit de handleiding van de NDT blijkt ook dat de NDT-scores van leerlingen die bij het RVC-VO worden aangemeld een opvallend grote spreiding in scores hebben, hetgeen sterk afwijkt van andere tests en wat moeilijk valt te verklaren.’

Toelichting van de NDT-auteurs: Deze opmerking verwijst kennelijk naar paragraaf 5.3.3 (oude nummering, thans 5.3.4 Landelijk verzamelde gegevens van de RVC’s) van deel IV van de handleiding. Hier blijkt de NDT als enige algemene intelligentietest de theoretisch verwachte standaarddeviatie van 13 te halen in tegenstelling tot de IBO, de GIVO en de WISC-RN. De GIVO haalt zelfs maar 8.7, dat is te laag. Voor de totale populatie leerlingen is de standaarddeviatie per definitie 15. Omdat de bij de RVC’s aangemelde leerlingen een beperkter bereik in IQ vertonen, vanaf 55 tot hoogstens 120, kan men berekenen wat de standaarddeviatie hoort te zijn, namelijk 13.

Reactie Tellegen: Hier lijkt het of de auteurs een sterk argument hebben. Als enige algemene intelligentietest heeft de NDT blijkbaar de theoretisch verwachte standaarddeviatie van 13 als de verdeling van de IQ-scores wordt afgekapt bij 120. Wij hebben dit nagerekend middels een simulatie met 100.000 normaal verdeelde IQ-scores. De standaarddeviatie van de scores tot en met 120 is 12.9 en dit komt inderdaad vrijwel overeen met de standaarddeviatie van 13.1 van de ruim 7000 leerlingen die met een NDT-score bij de RVC zijn aangemeld. Wat echter wel vermeld moet worden is dat bij de theoretische afgekapte verdeling het gemiddelde van de IQ-scores 97.4 is. Het gemiddelde van de NDT-scores is in de RVC-groep echter 84.0. De NDT-scores zijn dus gemiddeld ruim 13 punten lager dan verwacht wordt op grond van het model dat de auteurs hanteren. Volgens hun eigen argumentatie blijkt hieruit dat de normering van de NDT niet deugt!



§ 5 Tellegen: ‘Afgezien van de normering is er het probleem dat de NDT door de selectie en weging van subtestscores die gebruikt worden voor de berekening van het IQ, een IQ-score heeft die vrijwel geheel wordt bepaald door de verbale onderdelen. De twee verbale onderdelen krijgen een gemiddeld gewicht van .40. De drie andere onderdelen hebben een gemiddeld gewicht van .175. Dit betekent dat deze test die juist bedoeld is voor het vmbo, met relatief veel allochtone leerlingen, óf niet bruikbaar is voor een belangrijk deel van de schoolpopulatie, óf wel gebruikt gaat worden bij leerlingen met anderstalige achtergrond en dan bijdraagt aan de achterstelling van allochtone kinderen.’

Toelichting van de NDT-auteurs: De belangrijkste bijdrage aan het IQ wordt geleverd door Verbaal Vermogen met 51%, gevolgd door Redeneervermogen met 35%, terwijl de bijdrage van Ruimtelijk Inzicht 14% is.
Hieruit blijkt dat de bijdrage van de verbale onderdelen aan het totaal IQ één procent meer dan vijftig bedraagt. Dit percentage van vijftig wordt herhaaldelijk gevonden en is in de hedendaagse testpsychologie derhalve een volkomen geaccepteerde waarde. Zo is het percentage bijdrage aan het IQ van de verbale onderdelen voor de WISC-RN: 50%. Voor de NIO, waar de bijdrage aan het IQ van de verbale factor ook 50% bedraagt, geldt hetzelfde.
Conclusie: Met kracht moet van de hand gewezen worden dat de NDT niet bruikbaar zou zijn voor een belangrijk deel van de pro/vmbo schoolpopulatie of dat de NDT allochtone leerlingen zou achterstellen. De verbale onderdelen van de NDT zijn namelijk uitgebreid en zorgvuldig onderzocht op afwezigheid van DIF. De afwezigheid van differential item functioning houdt in dat de NDT niet discrimineert tussen allochtone en autochtone leerlingen, tussen jongens en meisjes of tussen leerlingen afkomstig uit stad of platteland (zie Deel IV van de handleiding, paragraaf 1.4 op pagina 76 en 77).

Reactie Tellegen: De hierboven door de auteurs van de NDT vermelde percentages van 51%, 35% en 14% vinden we ook terug in de Wetenschappelijke verantwoording van de NDT-2004. Daar staat in paragraaf 3.2: "Uit de correlaties van de factoren Verbaal Vermogen (r=0.917), Redeneervermogen (r=0.824) en Ruimtelijk Inzicht (r=0.623) met het IQ kan afgeleid worden, dat de belangrijkste bijdrage (51%) geleverd wordt door Verbaal Vermogen, gevolgd door Redeneervermogen met 35%, terwijl de bijdrage van Ruimtelijk Inzicht 14% bedraagt." Hoe de auteurs tot deze percentages gekomen zijn is absoluut onduidelijk want uit de genoemde correlaties kunnen deze percentages niet worden afgeleid. De correlatie van .92 tussen Verbaal Vermogen en IQ maakt echter wel duidelijk hoe sterk verbale vaardigheden het NDT-IQ domineren.

De auteurs vergelijken het aandeel van de verbale onderdelen in het NDT-IQ met het aandeel dat de verbale onderdelen hebben bij de NIO en de WISC-RN. Voor beide tests komen ze tot een percentage van 50%. Dit percentage is mogelijk gebaseerd op de som van de gewichten van de verbale onderdelen gedeeld door de som van alle gewichten van de subtests die het IQ bepalen of, en dit ligt meer voor de hand, door het kwadraat van de gewichten als uitgangspunt te nemen. Het is uit de tekst niet duidelijk welke methode de NDT-auteurs volgen aangezien de uitkomst voor de NIO en de WISC-RN in beide gevallen 50% is.

Bij de NIO en de WISC-RN is het IQ gebaseerd op de ongewogen som van de genormeerde en gestandaardiseerde subtestscores. Bij de NDT lijkt dit ook het geval te zijn. In figuur 1.1 van de Wetenschappelijke verantwoording wordt van zes (schijnbaar) gelijkwaardige subtests uitgegaan. In tabel 3.5 worden de correlaties van de zes onderdelen "van het IQ" weergegeven. Pas op het eind van de Wetenschappelijke verantwoording wordt terloops het volgende meegedeeld: "Bij de discriminant-analyse voor het samenstellen van de formule waarmee het IQ wordt berekend, heeft Ruimtelijk Inzicht dan ook een naar verhouding gering gewicht gekregen en hebben Verbaal Vermogen en Redeneervermogen een naar verhouding hoog gewicht gekregen."
Er wordt in de Verantwoording geen enkele informatie gegeven op wat voor wijze en bij wie de discriminant-analyse is uitgevoerd. Nog merkwaardiger is het dat de gewichten niet worden gegeven zodat een lezer van de Wetenschappelijke verantwoording niet weet hoe het IQ wordt samengesteld.

Uit mededelingen van de auteurs blijkt dat bij de NDT-2004 de normen in groep 8 (afgezien van de correctie voor dag van afname) niet zijn veranderd. Dit betekent dat bij de berekening van het NDT-IQ de subtests als volgt worden gewogen (zie: "Meest gestelde vragen over de NDT-2003", informatie over de NDT die op de op de website van de uitgever stond vermeld):

NDT-subtest factor gewicht kwadraat

1. Reeksen (redeneervermogen) .175 .031
2. Figuren (redeneervermogen) .292 .085
3. Zinnen (verbaal vermogen) .406 .165
4. Overeenkomsten (verbaal vermogen) .390 .152
5. Draaien (ruimtelijk inzicht) [-.089] -
6. Puzzels (ruimtelijk inzicht) .059 .003

som 1.322 .436

Aanvankelijk had het onderdeel Draaien een negatief gewicht. Aangezien het toch wat merkwaardig is om kinderen een lager IQ te geven naarmate ze beter presteren op een ruimtelijk onderdeel, is na protesten van gebruikers tenslotte door de NDT-auteurs besloten om dit onderdeel niet meer mee te nemen bij de berekening van het IQ. In de Wetenschappelijke verantwoording wordt echter nog steeds gesteld dat het onderdeel Draaien deel uitmaakt van het IQ.

Wanneer we het relatieve aandeel van de verbale onderdelen bepalen aan de hand van de gewichten dan is dat 60% [(.406+.390)/1.322]. Het is echter gebruikelijk om een dergelijk aandeel te berekenen aan de hand van de gekwadrateerde gewichten. Dan is het relatieve aandeel van de verbale onderdelen op het IQ 73% [(.165+.152)/.436]. Voor de onderdelen van het redeneervermogen is het aandeel 26% en voor het ruimtelijk inzicht is het nog geen 1%.

Het is dus duidelijk dat de IQ-score van de NDT sterk gedomineerd wordt door twee verbale onderdelen. Dit is bij deze test veel meer het geval dan bijvoorbeeld bij de NIO of de WISC.




§ 6 Tellegen: ‘Bij de NIO en soortgelijke tests doen dergelijke problemen zich ook voor maar in mindere mate omdat de taalcomponent minder domineert. Bij de NIO wordt dit probleem bovendien onderkend en wordt middels de onderzoeksresultaten de mogelijkheid geboden hiervoor te corrigeren. Bij de NDT wordt het probleem tot nu toe echter niet erkend. In discussies wordt naar voren gebracht dat de test geschikt zou zijn voor allochtonen omdat er geen sprake is van item-bias. De conclusie dat de NDT geschikt is voor allochtonen kan uit dergelijke analyses niet getrokken worden aangezien het probleem zich voordoet op (sub)test niveau. Uit het onderzoek met de NIO blijkt dat verbale intelligentietests niet alleen de intelligentie van allochtone leerlingen onderschatten, maar dat ook het onderwijsniveau dat deze leerlingen aankunnen wordt onderschat. Nu testscores de onderwijskeuze steeds meer gaan determineren, bestaat het risico dat het opleidingsniveau van allochtone kinderen als gevolg van onjuist testgebruik de komende jaren verder achterop raakt. Soms wordt naar voren gebracht dat het juist rechtvaardig is om allochtone en autochtone kinderen op dezelfde wijze te testen. In feite echter worden deze twee groepen niet op dezelfde wijze getest maar is er sprake van discriminatie: de intelligentie van de ene groep wordt bepaald middels kennis en vaardigheid in de moedertaal terwijl bij de andere groep het oordeel wordt gebaseerd op kennis en vaardigheid met betrekking tot een later aangeleerde taal.’

Toelichting van de NDT-auteurs: Er wordt hier kennelijk over het hoofd gezien dat de NDT zowel op itemniveau als op subtest niveau onderzocht is op afwezigheid van DIF. Dit houdt alles bijeengenomen in dat het NDT-IQ geen DIF vertoont. Dit betekent dat de NDT het IQ van allochtone leerlingen niet onderschat en zonder meer het voor hen juiste onderwijsniveau toewijst. De NIO geeft geen resultaten van DIF onderzoek.

Reactie Tellegen: Opnieuw lijken de auteurs te menen dat de afwezigheid van bias op item-niveau zou betekenen dat van test-bias geen sprake is. Deze conclusie is onjuist, want item-bias beperkt zich tot afwijkingen in de relatieve moeilijkheid van enkele items. De (sub)test als geheel kan echter een specifieke groep op een oneigenlijke manier bevoordelen of benadelen.

Het onderzoek naar DIF bij de NDT wordt alleen in zeer algemene termen beschreven waardoor de beweringen betreffende de resultaten van dit onderzoek niet kunnen worden beoordeeld. Het is bijvoorbeeld niet bekend hoe groot de autochtone en allochtone onderzoeksgroepen waren in het vooronderzoek waarop de analyse is gebaseerd.
Er is geen informatie over de samenstelling van de allochtone groep.
Niet bekend is hoeveel items DIF vertoonden en wat de criteria waren om dit vast te stellen.
Er wordt niet ingegaan op het probleem dat de gebruikte procedure niet zuiver is als de groepen in gemiddelde verschillen.
Blijkbaar is ook niet opnieuw op DIF getoetst met de gegevens van het normeringsonderzoek. Al met al worden er uitspraken gedaan die mogelijk juist zijn maar die niet in de Wetenschappelijke verantwoording worden onderbouwd.

De auteurs van de NDT stellen dat door ons over het hoofd is gezien dat de NDT ook op subtestniveau is onderzocht op de afwezigheid van DIF en dat het NDT-IQ op dit niveau allochtone kinderen niet benadeelt. Nu is dit echter geen kwestie van over het hoofd zien. In de Wetenschappelijke verantwoording van de NDT-2004 wordt helemaal geen onderzoek gepresenteerd naar DIF op subtestniveau. Het lijkt erop dat de auteurs van de NDT de lezers hier een rad voor ogen willen draaien. Het is opmerkelijk dat in het geheel geen uitkomsten worden gepresenteerd van allochtone kinderen, noch voor het IQ, noch voor de verschillende testonderdelen.

Net als bij andere intelligentietests zoals de Rakit, de WISC, de NIO, de DAT, de GATB zal dan ongetwijfeld blijken dat de scores van allochtone kinderen vooral op de verbale onderdelen laag zijn. Dit ligt ook voor de hand. Het is niet voor niets dat Carroll, de auteur waarop bij de NDT zo vaak een beroep wordt gedaan bij de verantwoording van de samenstelling van de test, keer op keer benadrukt dat de meting van verbale intelligentie gebaseerd moet zijn op afname van testonderdelen in de moedertaal. Aan deze restrictie van Carroll wordt echter door de auteurs van de NDT voorbij gegaan.

Zonder enige empirische onderbouwing, en in strijd met de uitkomsten bij andere tests wordt vervolgens door de auteurs gesteld dat de NDT het IQ van allochtonen niet onderschat. Ze menen zelfs te kunnen stellen dat de NDT aan allochtone leerlingen zonder meer het voor hen juiste onderwijsniveau toewijst. Ook voor autochtone leerlingen zou dit een uitspraak zijn die volledig in strijd is met de beperkte validiteit van testscores. Geen enkele intelligentietest is in staat zonder meer het juiste onderwijsniveau toe te wijzen, al was dit alleen maar omdat zoveel andere factoren van belang zijn voor de leermogelijkheden.
Zoals we in onze eerste opmerkingen al stelden, valt dan ook te verwachten dat het gebruik van de NDT vooral voor allochtone leerlingen vaak tot een onjuist schooladvies zal leiden. Gebrekkige kennis van het Nederlands wordt bestempeld als zwakbegaafdheid hetgeen de achterstandssituatie van allochtonen met betrekking tot opleiding en beroepsmogelijkheden nog verder zal doen verslechteren.


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests