NIO Handleiding en Verantwoording NIO Handleiding en Verantwoording De NIO en de Givo De NIO en de Givo COTAN-beoordeling COTAN-beoordeling Voorbeelden van Formulieren Voorbeelden van Formulieren
NIO: de stand van zaken NIO: de stand van zaken Handleiding NIO computerprogramma Handleiding NIO computerprogramma De NIO en schoolkeuze De NIO en schoolkeuze


Een uitgebreide samenvatting van de Handleiding en Verantwoording van de NIO is als Word-document beschikbaar. Klik hier om het document te openen.
De NIO wordt uitgegeven door Boom testuitgevers te Amsterdam.
De test in november 2004 verschenen.


INHOUD:

  • COTAN-boordeling
    • Toelating RVC-VO
    • Handleiding bij het voorlopige COTAN-oordeel
  • Reactie auteurs op de toelichting
  • Aanvullende gegevens representativiteit normen NIO
  • Reactie van de COTAN op de aanvullende gegevens

COTAN-beoordeling NIO

De NIO, Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau (Van Dijk & Tellegen, 2004)
is door de COTAN als volgt beoordeeld:

COTAN-beoordeling NIO 2004
I. Uitgangspunten bij de testconstructie goed
IIa. Kwaliteit van het testmateriaal goed
IIb. Kwaliteit van de handleiding goed
III. Normen goed
IV. Betrouwbaarheid goed
Va. Begripsvaliditeit goed
Vb. Criteriumvaliditeit goed

Definitieve beoordeling COTAN

In eerste instantie was de normering van de NIO als 'voldoende' beoordeeld.
Naar aanleiding van de discussie die hieronder is weergegeven,
en de extra informatie over de normering die als bijlage in de Handleiding is opgenomen,
is het voorlopige oordeel over de normering bijgesteld.
Het defintieve oordeel van de COTAN over de normering van de NIO is 'goed'.


Toelating RVC-VO

Eind juli 2004 is door het ministerie van OCenW de lijst van testinstrumenten bekend gemaakt die komend schooljaar gebruikt mogen worden in het kader van de indicatiestelling.

De NIO is in deze lijst opgenomen.

Om de volledige lijst van het Ministerie te downloaden als pdf-file, klik hier.


Handleiding bij het voorlopige COTAN-oordeel

De beoordelaars hadden bij de voorlopige beoordeling de volgende opmerkingen gemaakt:

Zorgvuldig ontwikkelde en beschreven test. Ook het proces van normering (continue normering), waarbij de vier normgroepen (bo-8, vo-1, vo-2 en vo-3) in samenhang gebruikt zijn bij het construeren van normtabellen, is geavanceerd. Het resulteert in nauwkeuriger normen. Echter, ook bij dit proces is het belangrijk dat elk van de samenstellende normgroepen representatief is gesampled. M.b.t. de vier groepen is echter het volgende op te merken:

  • bo-8: ca. 6700 lln uit 4 regio's, maar het westen is sterk ondervertegenwoordigd.
  • vo-1: ca. 1500 lln, alleen uit Groningen, bovendien betreffen het de oude schooltypen. (ivbo, vbo, enz)
  • vo-2: ca. 12000 lln. Komen uit een landelijke steekproef van het CBS die oorspronkelijk uit 19000 lln bestond. Dat de steekproef landelijk is zal ongetwijfeld correct zijn, maar er wordt verder geen enkele beschrijving van deze groep gegeven in termen van regionale verdeling en steekproefprocedure. Ook is niet aangegeven wat de consequentie is van de mogelijk selectieve uitval van 19000 naar 12000 lln.
  • vo-3: ca. 1900 lln, alleen uit Noord, Oost en Zuid.

Alle steekproeven zijn wel keurig gewogen naar schooltype, maar de COTAN heeft m.b.t. regionale steekproeven vastgesteld dat voor regionale steekproeven nooit meer dan 'voldoende' gegeven mag worden (en dan alleen onder het voorbehoud dat dan gecontroleerd is voor allerlei andere variabelen, zoals schooltype). De conclusie is dat ook de samenvoeging van vier regionale of slecht beschreven samples niet noodzakelijkerwijs resulteren in een 'goede' steekproef.


Naar aanleiding van de opmerkingen is door de auteurs als volgt gereageerd:


Geachte mevrouw van Vliet,

Hartelijk dank voor het toezenden van de beoordeling van de COTAN. Wij zijn natuurlijk bijzonder ingenomen met deze positieve beoordeling. Ook waarderen wij het dat de beoordeling zo snel heeft plaatsgevonden waardoor het voor gebruikers verantwoord is de test het komend schooljaar toe te passen.

Aangaande de 'voldoende' voor de Normen willen wij echter bezwaar aantekenen. Naar onze mening is hier sprake van een zorgvuldig en goed uitgevoerd normeringsonderzoek, en uit de toelichting begrijpen wij dat de beoordelaars deze mening onderschrijven. Bovendien menen wij dat onder meer door de weging naar achtergrond van de ouders bij het basisonderwijs en naar onderwijsniveau van leerlingen bij het voortgezet onderwijs, beperkingen als gevolg van regionale selectie voldoende zijn opgeheven.

Met betrekking tot dit punt worden echter door de beoordelaars vraagtekens gezet. Ofschoon wij zelf wel deze overtuiging hebben kan terecht worden gesteld dat wij dit beter dienen te onderbouwen. Dit wordt ook in het Beoordelingssysteem (Evers, 2001) expliciet gesteld: "Wanneer de test is bedoeld voor landelijk gebruik, dan zullen in het algemeen ook landelijke normen moeten worden verzameld, behalve wanneer de auteur kan aantonen dat hiermee samenhangende variabelen (bijv. woonplaats, stad/platteland) geen invloed hebben.

Ons staat voor ogen om op korte termijn (binnen een maand) gegevens te verstrekken die aannemelijk maken dat de regionale beperkingen de representativiteit van de uitkomsten niet hebben aangetast. Dit willen we doen aan de hand van literatuurgegevens maar vooral op grond van empirische gegevens uit dit onderzoek en het volledige VOCL cohort-onderzoek. Deze uitkomsten zullen worden opgenomen in de Handleiding en Verantwoording die nog in druk moet verschijnen.

We willen de COTAN verzoeken het oordeel met betrekking tot de normering op grond van deze informatie dan te heroverwegen.

Er is echter een punt dat wel eerst moet worden opgehelderd. In de laatste alinea van het commentaar bij de beoordeling van de NIO wordt gezegd dat de COTAN met betrekking tot regionale steekproeven heeft vastgesteld dat hiervoor nooit meer dan 'voldoende' mag worden geven. Indien de beoordelaars van mening zijn dat de normering van de NIO gebaseerd is op samenvoeging van regionale steekproeven en dat daarom een beoordeling 'goed' voor de normering is uitgesloten, dan is het verstrekken van aanvullende informatie zinloos voorzover dit beoogt het oordeel te doen bijstellen.

Wat echter in de laatste alinea wordt gesteld, is in strijd met het Beoordelingssysteem zoals dit op dit moment door de COTAN naar buiten wordt gebracht. Het lijkt me geen goede zaak als de COTAN de richtlijnen voor de beoordeling wijzigt zonder dat auteurs hiervan op de hoogte zijn.

Ik zou daarom graag bevestigd zien dat we aangaande de beoordeling uit kunnen gaan van het Beoordelingssysteem zoals dat in 2001 is gepubliceerd.

Met vriendelijke groet,

Peter Tellegen.


Aanvullende gegevens over de representativiteit van de normen van de NIO


Naar aanleiding van de opmerkingen van de beoordelaars van de COTAN zijn door de auteurs aanvullende analyses uitgevoerd die meer duidelijkheid kunnen geven over de representativiteit van de normen van de NIO. De analyses zijn gebaseerd op de uitkomsten op de Cito-entreetoets bij ruim achttienduizend leerlingen. De twee belangrijkste kritiekpunten betroffen de regionale spreiding en de mogelijk selectieve uitval bij de afname van de NIO in het VOCL'99 onderzoek.

Regionale spreiding

De COTAN heeft van regionale spreiding een belangrijk beoordelingspunt gemaakt voor tests die pretenderen landelijk representatieve normen te hebben. Bij het landelijk normeringsonderzoek van de SON-R 5,5-17 is gestratificeerd naar regio (West, Zuid en Noord/Oost) en naar gemeentekenmerken (aantal inwoners en de categorie forensengemeente). De conclusie was dat het onderscheid naar regio (N=1350) en naar aantal inwoners (N=887) kleine, niet-significante verschillen in gemiddeld IQ laat zien. Alleen in forensengemeenten presteren leerlingen duidelijk beter (Snijders, Tellegen & Laros, 1988, p. 74). Ook bij het landelijk normeringsonderzoek van de SON-R 2,5-7 waren de verschillen tussen regio's en tussen gemeenten van verschillende grootte en urbanisatiegraad gering (N=1102) (Tellegen, Winkel, Wijnberg-Williams & Laros, 1998, p. 63). Voor zover bij deze onderzoeken sprake was van verschillen, bleken deze grotendeels verklaard te worden door de sociaal-economische achtergrond van de kinderen.

De normgroep van de NIO voor de tweede klas van het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een deel van de 19.391 leerlingen die deelnemen aan VOCL'99, het 'Voortgezet Onderwijs Cohort Leerlingen'. Deze leerlingen zaten in het schooljaar 1999/2000 in de eerste klas. De steekproef van scholen is getrokken door het CBS. Ongeveer de helft van de benaderde scholen bleek bereid tot medewerking. De verdeling naar provincie is representatief. Relatief zijn leerlingen van het IVBO wat ondervertegenwoordigd en leerlingen van HAVO/VWO wat oververtegenwoordigd (Kuyper & Van der Werf, 2003, p.10). Bij het merendeel van de leerlingen is in de eerste klas de Cito-entreetoets afgenomen. Deze toets is opgebouwd uit de onderdelen Nederlandse taal, rekenen en informatieverwerking. Van 18.117 leerlingen is de totaalscore op de entreetoets bekend, alsmede het type klas in het eerste leerjaar en de regio. Deze gegevens zijn gebruikt om opnieuw na te gaan of regionale verschillen van invloed zijn bij cognitieve tests.

Bij de regio's is, evenals bij de analyses met de SON-tests, een onderscheid gemaakt naar West, Noord/Oost en Zuid. Bij de eerste klas van het voortgezet onderwijs worden bij deze analyse 7 niveaus onderscheiden. De Cito-entreetoets correleert ongeveer .80 met de NIO-totaalscore (Van Dijk & Tellegen, 2004) en is derhalve te beschouwen als sterk equivalente test voor de NIO. De scores op de entreetoets zijn lineair getransformeerd naar een verdeling met hetzelfde gemiddelde en dezelfde spreiding als de scores op de NIO. Deze transformatie is gebaseerd op een subgroep van 10.867 leerlingen waarbij in de tweede klas tevens de NIO is afgenomen.

In tabel 1 staan de gemiddelde scores op de entreetoets naar regio. De gemiddelde scores van de regio's variëren van 101.7 (West-Nederland) tot 103.3 (Noord/Oost). Ten opzichte van het totaal gemiddelde zijn de verschillen minder dan één IQ-punt. De verschillen zijn wel significant (p<.001) maar het effect is zeer gering (eta=.05). Het percentage verklaarde variantie als gevolg van regionale verschillen is 0,2%.

Tabel 1: Getransformeerde scores op Cito-entreetoets naar regio (N=18.117)
regio N % gem. sd.
1. West 8.586 47.4% 101.7 13.4
2. Noord/Oost 4.805 26.5% 103.2 13.8
3. Zuid 4.727 26.1% 102.7 14.2
totaal 18.118 100.0% 102.4 13.7

De gemiddelde scores op de entreetoets naar niveau staan in tabel 2. De samenhang met niveau is zeer significant, eta is .741. De relatie met niveau is bij deze indeling vrijwel lineair, r is .740. De klasse-indeling verklaart 55% van de variantie.

Met een stapsgewijze multipele regressie is nagegaan of de regio nog wat toevoegt aan de verklaring van de verschillen in testscores als niveau bij de vergelijking is betrokken. Het niveau is hierbij als lineaire variabele beschouwd en de regio is gecodeerd als twee dummy-variabelen (wel-niet Zuid en wel-niet Noord/Oost). De multipele correlatie neemt significant toe van .740 tot .746 door de regio-indeling bij de voorspelling te betrekken. Uit de ongestandardiseerde regressiecoëfficiënten blijkt dat bij de leerlingen uit het Westen 1,3 punt moet worden afgetrokken en bij de leerlingen uit Zuid- en Noord/Oost-Nederland moet respectievelijk 1,5 en 0,8 punt worden opgeteld indien men op grond van klas en regio de score op de entreetoets wil voorspellen.

Tabel 2: Getransformeerde scores op Cito-entreetoets naar niveau (N=18.117)
niveau N % gem. sd.
1. Ivbo/Vbo 3.042 16.8% 86.9 10.2
2. Vbo/Mavo 2.256 12.5% 92.4 9.8
3. Mavo 2.006 11.1% 97.8 9.6
4. Mavo/Havo 2.778 15.3% 102.0 8.9
5. Havo 1.601 8.8% 106.7 9.5
6. Havo/Vwo 5.035 27.8% 112.5 8.5
7. Vwo 1.400 7.7% 117.9 8.2
totaal 18.118 100.0% 102.4 13.7

Selectie bij afname NIO in het VOCL'99 onderzoek

In het eerste jaar waren 19.391 leerlingen bij het VOCL'99 onderzoek betrokken. In het jaar daarop is de NIO bij ongeveer 13.000 leerlingen afgenomen. Van 12.206 leerlingen was de afname van de NIO volledig en waren ook voldoende aanvullende gegevens bekend. Deze leerlingen vormden samen met een groep leerlingen uit het speciaal onderwijs de basis van de naar niveau gewogen normgroep van klas 2.

Van de 18.118 leerlingen waarbij in klas 1 de Cito-entreetoets is afgenomen, is bij 10.867 leerlingen in klas 2 de NIO afgenomen. Om na te gaan of de leerlingen waarbij de NIO is afgenomen een goede afspiegeling vormen – qua cognitieve capaciteiten – van het gehele VOCL-cohort, is nagegaan of er met betrekking tot de gemiddelde scores op de Cito-entreetoets verschillen zijn tussen de leerlingen waarbij de NIO al dan niet is afgenomen. In tabel 3 staat per niveau het percentage leerlingen waarbij de NIO is afgenomen en de gemiddelde score op de entreetoets van de leerlingen waarbij de NIO niet of wel is afgenomen. In de laatste kolom staat de afwijking van de gemiddelde score op de entreetoets van de leerlingen waarbij de NIO is afgenomen, ten opzichte van de totale groep (per niveau).

Tabel 3: Afname NIO en gemiddelde getransformeerde score op Cito-entreetoets als
functie van niveau en afname NIO (N=18.118)
. geen afname NIO afname NIO afw.
niveau N afname NIO gem. sd. gem. sd. totaal.
1. Ivbo/Vbo 3.042 61.2% 86.0 9.7 87.5 10.5 0.6
2. Vbo/Mavo 2.256 47.9% 93.3 10.0 91.4 9.4 -1.0
3. Mavo 2.006 60.4% 98.1 10.0 97.7 9.4 -0.2
4. Mavo/Havo 2.778 66.0% 101.4 9.7 102.2 8.5 0.3
5. Havo 1.601 47.9% 107.1 9.5 106.2 9.6 -0.5
6. Havo/Vwo 5.035 60.8% 111.8 8.9 112.9 8.2 0.5
7. Vwo 1.400 75.1% 118.0 7.9 117.9 8.3 -0.0
totaal 18.118 60.0% 101.5 13.6 102.9 13.8 0.6

De NIO is relatief wat minder frequent afgenomen bij leerlingen op Vbo/Mavo niveau en relatief vaker bij leerlingen van het Vwo. Er zijn ook verschillen bij Mavo/Havo en bij Havo maar deze heffen elkaar grotendeels op. Het netto-effect is dat de NIO wat vaker is afgenomen bij leerlingen met hogere opleiding. Dit blijkt ook uit het verschil van 1.4 IQ-punten op de entreetoets tussen leerlingen die niet en die wel de NIO hebben gemaakt. Binnen ieder niveau zijn er wel kleine verschillen maar deze lijken weinig systematisch van aard. Bij een multipele regressie-analyse draagt de factor wel/geen afname van de NIO niet bij aan de verklaring van de score op de entreetoets nadat niveau als eerste factor is geselecteerd.

Naar regio is de verdeling van de leerlingen waarbij de NIO is afgenomen voor West, Noord/Oost en Zuid respectievelijk 47%, 28% en 24%. Dit komt goed overeen met de percentages voor de totale groep die vermeld zijn in tabel 1.

Representativiteit van de normgroepen van de NIO

De normen van de NIO zijn gebaseerd op een wiskundig model waarbij gelijktijdig gebruik is gemaakt van de informatie van de vier afzonderlijke leerjaren. Hierbij is de informatie van groep 8 en, met name, van klas 2 zwaar gewogen en heeft de informatie van klas 1 en klas 3 een ondergeschikte rol gespeeld. De gewogen aantallen voor groep 8, klas 1, klas 2 en klas 3 zijn respectievelijk 7.000, 2.000, 12.000 en 2.000.

In groep 8 zijn in ieder van de drie regio's grote aantallen leerlingen getest: West (N=1605), Noord/Oost (N=2305) en Zuid (N=2807). Ofschoon West-Nederland hierbij relatief ondervertegenwoordigd is, was er gezien de zwakke relatie tussen regio en intelligentie weinig reden om hiervoor een weging toe te passen. Dit temeer daar de mogelijkheid was gecreëerd om per school te wegen voor de sociaal-economische achtergrond van de leerlingen, inclusief het onderscheid autochtoon/allochtoon. Dit onderscheid is binnen het basisonderwijs aanzienlijk meer relevant dan de regio.

De tweede klas van het voortgezet onderwijs heeft bij de normering het grootste gewicht gehad. Deze groep is naar regio representatief. Zowel bij de realisatie van het VOCL'99 onderzoek als bij de selectie van de scholen binnen dit onderzoek, waarbij de NIO is afgenomen, is een vertekening opgetreden waardoor de hogere niveaus oververtegenwoordigd werden. Dit is bij de normering opgevangen door een weging toe te passen die gebaseerd is op de landelijke cijfers over verdeling naar niveau.

De onderzoeksgroepen van klas 1 en klas 3 zijn wat regio betreft veel beperkter van samenstelling. Op grond van de analyses die nu zijn uitgevoerd moet met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat deze beperking, ook na weging voor niveau, een lichte vertekening van de uitkomsten geeft. Gezien het geringe gewicht van deze twee onderzoeksgroepen in het bepalen van de normen valt echter niet te verwachten dat het effect van de regionale selectie meer dan één IQ-punt zal bedragen.

Dat de normen niet alleen nauwkeurig en onderling consistent zijn voor groep 8 en voor klas 2, doch ook voor klas 3, blijkt uit de uitkomsten van het hertestonderzoek bij 574 leerlingen die eerst in groep 8 zijn getest en, bijna drie jaar later, opnieuw in de derde klas. Het verschil in gemiddelde score op de NIO is slechts 0,4 IQ-punt terwijl ook de standaarddeviaties vrijwel gelijk zijn (13,5 en 13,7).

Discussie

De uitkomsten van onze analyses wijzen erop dat tussen de drie grote regio's geen belangrijke verschillen in intelligentie bestaan. In samenhang met het niveau zijn er echter wel verschillen, zij het niet aanzienlijk. Deze verschillen kunnen te maken hebben met de sterk afwijkende scores van allochtone leerlingen binnen de verschillende niveaus. Deze verschillen zijn beschreven in de Handleiding van de NIO. Zowel wat betreft het opleidingsniveau van de ouders als het aandeel van allochtonen in de populatie, kunnen er grote verschillen zijn tussen regionale gebieden, woonplaatsen of wijken binnen een stad. Hiermee dient bij een normeringsonderzoek terdege rekening te worden gehouden. Wat hierbij echter voorop dient te staan, is de vraag of de normgroep representatief is (gemaakt) met betrekking tot de relevante achtergrondkenmerken.

Het is niet ingewikkeld om voor scholen een normgroep te maken die naar regio en andere gemeentelijke kenmerken representatief is. De praktijk is echter dat een dergelijke steekproef, vooral in de (universiteits-)steden vertekend wordt door hoge percentages non-respons en weigering van scholen. Tenzij naar het effect hiervan onderzoek is verricht, staat de representativiteit van dergelijke steekproeven ter discussie. Het grote voordeel van het normeringsonderzoek van de NIO is geweest dat gebruik gemaakt kon worden van de steekproeftrekking door het CBS bij het VOCL onderzoek waarbij het weigeringpercentage van de scholen beperkt bleef tot 50%, en van de grote gemeentelijke onderzoeken bij groep 8 waarin alle scholen uit een bepaald gebied participeerden. Hierdoor heeft uitval/weigering van scholen een relatief geringe rol gespeeld.

Bij een normering wordt een schatting gemaakt hoe in een gespecificeerde populatie de verdeling van scores zal zijn. De nauwkeurigheid van deze schatting, en daarmee de nauwkeurigheid van de normen, hangt af van een groot aantal factoren. Van groot belang zijn hierbij de omvang van de onderzoeksgroep, het wiskundig model waarmee op grond van steekproefgegevens een schatting van de populatieverdeling wordt gemaakt, de mate waarin veranderingen in normen op een continue schaal worden weergegeven, de representativiteit met betrekking tot belangrijke variabelen etc.

Regio is een van de factoren die van betekenis is. Door echter als uitgangspunt te nemen dat een regionale steekproef in het kader van het verkrijgen van landelijke normen geen hogere kwalificatie kan krijgen dan 'voldoende', neemt de COTAN een positie in waarbij op één aspect teveel de nadruk wordt gelegd. De oude formulering waarbij de auteur moet aantonen dat regionale beperkingen van de steekproef geen invloed hebben gehad geeft veel beter aan waarbij het bij de beoordeling van normen om dient te gaan: de auteur moet aannemelijk hebben gemaakt dat de normen in hoge/voldoende mate representatief zijn.

Gezien de landelijke spreiding van de plaatsen waar het normeringsonderzoek van de NIO is uitgevoerd, met name voor groep 8 en voor klas 2, kan de normering van deze test niet als regionaal bestempeld worden. Gezien de zorg die is besteed aan het bepalen en wegen van relevante achtergrondkenmerken, de omvang van de onderzoeksgroep en het wiskundig model dat heeft bijgedragen aan de nauwkeurigheid van de normen, is naar de mening van de auteurs van de NIO voor de normering de kwalificatie 'goed' van toepassing.

Literatuur

Dijk, H. van & Tellegen, P.J. (2004). NIO Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau. Amsterdam: Boom test uitgevers.

Kuyper, H. & Werf, M.P.C. van der (2003). VOCL'99: de resultaten in het eerste leerjaar. Groningen: GION.

Snijders, J.Th., Tellegen, P.J. & Laros, J.A. (1988). Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest. SON-R 5,5-17. Verantwoording en handleiding. Groningen: Wolters-Noordhoff.

Tellegen, P.J., Winkel, M., Wijnberg-Williams, B. & Laros, J.A. (1998). Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest. SON-R 2,5-7. Handleiding & Verantwoording. Lisse: Swets Test Publishers.


Reactie van de COTAN op de aanvullende gegevens

Amsterdam, 6 augustus 2004

Betreft NIO


Geachte heer Tellegen

Uw reactie op de beoordeling van de NIO is in de COTAN-vergadering van 8 juli j.l. besproken. De COTAN is tot de volgende conclusie gekomen:

  • De beoordeling 'voldoende' van de normen door de beoordelaars is terecht vanwege de onvolledige beschrijving en de kwaliteit van de normgroepen en de eisen die ten aanzien hiervan in het beoordelingssysteem worden geformuleerd.
  • In uw brief wordt wèl een adekwate omschrijving van de normgroepen gegeven en met name voor de normgroepen bo-8 en vo-2 wordt duidelijk gemaakt dat regionale verschillen geen rol spelen.
  • Omdat van continue normering gebruik wordt gemaakt zijn minimaal twee datapunten vereist die de kwalificatie 'goed' verdienen, om het totaal van de normen als 'goed' te kunnen beoordelen; met het bovenstaande wordt aan deze voorwaarde voldaan.
  • De beoordeling 'goed' zal worden verleend op het moment dat de door u verstrekte additionele informatie ook daadwerkelijk in de handleiding is opgenomen.

Met betrekking tot de gewijzigde tekst van het beoordelingssysteem merkt de COTAN op dat het hier geen wijziging in beleid betreft maar het duidelijk formuleren van een praktijk die impliciet al door de beoordelaars werd gevolgd. Met duidelijkheid is iedereen gebaat.


Met vriendelijke groeten, namens de COTAN,

Arne Evers, coördinator testbeoordelingen


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests