Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

Academische Boekengids 45, juli 2004 Pagina 3-5

Ras, rede en racisme

De universitaire worsteling met politiek omstreden theorieën

door Maarten Derksen

De culturele antropologie en de UNESCO zijn eruit:
ras is een sociale constructie, louter voer voor
sociologen. Maar lang niet iedereen wil daaraan.
Onlangs tikte het college van bestuur van de
Universiteit Utrecht nog een evolutionair psycholoog op
de vingers, omdat hij een omstreden rassentheorie
niet van 'voldoende context' had voorzien. Terecht?
Of een gevaar voor de academische vrijheid?

Zeer controversiële theorieën mogen alleen worden onderwezen als de docent ze van voldoende context voorziet. Deze uitspraak is van een commissie die enkele maanden geleden was ingesteld door het college van bestuur van de Universiteit Utrecht naar aanleiding van een klacht van een studente over een college psychologie. De psychologie is rijk aan controversiële theorieën, en docent Akko Kalma had voor zijn laatste college in de cursus Evolutionaire Psychologie daarvan één van de meest omstreden uitgekozen: de ‘differential K theory’ van J. Phillippe Rushton. Kort gezegd beweert Rushton dat de menselijke soort bestaat uit drie hoofdrassen, mongoloïde, caucasoïde en negroïde, met in die volgorde afnemende intellectuele vermogens, maar toenemende seksuele driften. En dat zijn slechts twee van de vele variabelen waarop de drie rassen langs dezelfde ‘gradiënt’ kunnen worden gerangschikt. Hetzelfde patroon wordt gevolgd voor bijvoorbeeld penisgrootte, criminaliteit, echtscheiding, schedelinhoud, beschaving en meervoudige geboortes. Die verschillen zijn een gevolg van de evolutionaire geschiedenis van de drie rassen. Elk heeft zijn reproductieve strategie aangepast aan de ecologische omstandigheden: terwijl de Aziaten verder trokken en in de barre omstandigheden van het noorden terechtkwamen, waar zij met intellect en samenwerking proberen te overleven, zijn de negers blijven hangen in een rijke biotoop waarin het erop aankomt de overvloed te laten benutten door zo veel mogelijk elkaar beconcurrerende nakomelingen. De blanken zitten daar ergens tussenin.

Kalma presenteerde het werk van Rushton als een bijdrage aan de psychologie die serieuze aandacht verdient, al waarschuwde hij zijn studenten wel dat deze theorie (‘zoals elke theorie’) kritisch bekeken dient te worden. Eén van zijn studenten, Inge Versteegt, nam evenwel aanstoot aan wat zij beschouwt als onversneden racisme, en riep Kalma per e-mail ter verantwoording. Zijn antwoorden bevredigden haar niet. Ze diende een klacht in bij de onderwijsdirecteur. Toen deze de klacht afwees en Versteegt voet bij stuk hield, begon de zaak te escaleren en raakte de pers geïnteresseerd. Uiteindelijk besloot het college van bestuur een commissie in te stellen die een uitspraak moest doen over de vraag of de theorie van Rushton op de juiste wijze was onderwezen, en of de faculteit de klacht van Versteegt correct had behandeld. Deze commissie, bestaande uit de hoogleraren B. de Gaay Fortman, P.J.D. Drenth en A. Pilot, deskundig op respectievelijk het gebied van de mensenrechten, de psychometrie en het onderwijs, stelde Versteegt in het gelijk: Kalma had Rushtons werk alleen mogen behandelen als hij ook aandacht had besteed aan de wetenschappelijke kritiek daarop en het mogelijke misbruik van deze ideeën. Ook oordeelde zij dat de faculteit sociale wetenschappen slordig was omgesprongen met de klacht. De details van deze zaak zijn na te lezen op de website van het U-Blad van de Universiteit Utrecht. De Groningse psycholoog Peter Tellegen heeft op zijn eigen website eveneens een verzameling documenten over de zaak geplaatst.
Het is niet de eerste keer dat het begrip ‘ras’ heeft geleid tot het instellen van een wetenschappelijke commissie. Er zijn inmiddels zoveel Statements on Race en aanverwante verklaringen gepubliceerd dat van een genre kan worden gesproken. Maar juist dat grote aantal roept ook de vraag op of zij wel nut hebben. Waarom is het nodig telkens weer de wetenschappelijke consensus over het concept ‘ras’ te formuleren? Wat verklaart deze onmacht? En zijn officiële wetenschappelijke standpunten misschien zelfs contraproductief?
'Er zijn inmiddels zoveel Statements on Race en
aanverwante verklaringen gepubliceerd dat van een genre kan worden gesproken.'
Recente verklaringen zijn in ieder geval opmerkelijk eensluidend in hun afwijzing van het rasbegrip. Tien jaar geleden ontstond grote ophef na de verschijning van het boek The Bell Curve van Richard Herrnstein en Charles Murray. Daarin werd geopperd dat de grotendeels zwarte Amerikaanse onderklasse haar armoede te danken heeft aan een erfelijk bepaalde lage intelligentie. De American Psychological Association besloot een ‘Task Force’ in het leven te roepen die de wetenschappelijke stand van zaken op het gebied van intelligentie en IQ-tests moest inventariseren, zodat de ontspoorde discussie op een solide basis kon worden voortgezet. Over de verschillen tussen de IQ-scores van African Americans en blanken (zo’n vijftien punten ten nadele van de African Americans) concludeerde de commissie dat voor een genetische verklaring hiervan ‘nog minder’ empirische steun bestond dan voor culturele en sociale verklaringen (Neisser et al. 1996:97). De term ‘ras’, die veelvuldig viel in de controverse, werd expliciet vermeden ten gunste van ‘etnische groepen’, waarvan de definitie berust op sociale conventies. De Task Force ging niet in op de vraag of het zinvol is om tussen sociaal gedefinieerde groepen naar genetische verschillen te zoeken.

De American Anthropological Association (AAA) was in 1994 met haar Statement on ‘Race’ and Intelligence stelliger: het biologische rasbegrip is onwetenschappelijk en er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat ras, biologisch gedefinieerd, intelligentie bepaalt. Enkele jaren later publiceerde de AAA een uitgebreider Statement on ‘Race’. Daarin herhaalde ze dat raciale onderscheidingen biologisch gezien arbitrair zijn en daarom geen verklaring kunnen bieden voor de verschillen tussen groepen mensen: ‘Present-day inequalities between so-called “racial” groups are not consequences of their biological inheritance but products of historical and contemporary social, economic, educational, and political circumstances’ (AAA, 1998).

De meest gedegen uitwerking van het biologische argument tegen ras is het Statement on the Biological Aspects of Race dat de American Association of Physical Anthropologists (AAPA) in 1996 publiceerde, ter bestrijding van racisme in pers en wetenschap. Binnen en buiten de wetenschap, constateerde zij, leeft een negentiende-eeuws rasbegrip voort dat dikwijls misbruikt wordt om groepen te discrimineren.

Het is echter een concept zonder enige wetenschappelijke grond: hoewel er zeker enige biologische variatie tussen menselijke populaties bestaat, is het idee van discrete rassen bestaande uit voornamelijk typische vertegenwoordigers, onhoudbaar. En dat geldt al helemaal voor de traditionele driedeling mongoloïde, caucasoïde en negroïde die ook Rushton hanteert. Het Statement van de AAPA is een amendement op het Proposal on the Biological Aspects of Race van de UNESCO uit 1964, één in een serie van zulke verklaringen over ras, opgesteld door commissies van wetenschappers uit diverse disciplines (UNESCO, 1969). Ook dit Proposal stelt al onomwonden dat pure rassen niet bestaan, en dat ‘racistische theorieën’ onwetenschappelijk zijn.

Alleen sociaal wetenschappers willen nog vasthouden aan ras. Geconfronteerd met ‘scholarly and civic leaders’ die opperden dat het beter zou zijn, gezien het gebrek aan wetenschappelijke basis voor het biologische rasbegrip, om het concept helemaal te laten vallen in sociaal-wetenschappelijk onderzoek, stelde de American Sociological Association haar eigen Statement op (ASA, 2002). Met vuur verdedigde zij de noodzaak en het recht om ras als variabele op te nemen in onderzoek, gezien de sociale realiteit van ras. ‘As long as Americans routinely sort each other into racial categories and act on the basis of these attributions, research on the role of race and race relations in the United States falls squarely within this scientific agenda.’ Maar dat ras geen biologische realiteit is, bevestigde ook de ASA.

Kortom: er is in de relevante disciplines geen steun te vinden voor de raciale classificatie die de basis vormt van Rushtons theorie. ‘De drie menselijke rassen’ bestaan niet, en een theorie die uitspraken doet over de fysieke, psychologische en sociale eigenschappen van zulke rassen gaat letterlijk nergens over. De toch zeer brede consensus lijkt voorbij te zijn gegaan aan docent Kalma, die in het cursusmateriaal en zijn e-mailcorrespondentie met Versteegt spreekt van ‘de drie menselijke rassen’, en meent dat er, ‘gemiddeld’, niets mis is met Rushtons onderzoek. Terecht tikt de Commissie De Gaay Fortman hem hierom op de vingers. Maar Kalma is niet de enige die nog steeds gelooft dat ‘ras’ een respectabel wetenschappelijk concept is. Ook andere psychologen beoordelen Rushtons werk gunstig (zie bijvoorbeeld Whitney, 1996).
Waarom dringt de boodschap van de diverse verklaringen niet door?

De oorzaak ligt deels in het feit dat het lot van zulke verklaringen verbonden is aan de wetenschappelijke discussie waarop ze gebaseerd zijn. Wetenschappelijke autoriteit is hun kracht, maar tegelijk ook hun zwakte, want de autoriteit van de wetenschap mist het officiële karakter dat een officiële verklaring eist, en is bovendien veranderlijk. De geschiedenis van de UNESCO-Verklaringen is illustratief in dit verband (zie ook Malik, 2000). De eerste kwam uit in 1950, vier jaar na de oprichting van de UNESCO. Aan een panel van wetenschappers onder leiding van de antropoloog Ashley Montagu was gevraagd eens en voor altijd duidelijk te maken dat wetenschappelijke feiten de verbroedering der volkeren in elk geval niet in de weg zaten. De commissie concludeerde inderdaad dat ‘biological studies lend support to the ethic of universal brotherhood’ (UNESCO 1969:35), omdat de menselijke neiging tot samenwerking aangeboren blijkt te zijn. Maar belangrijker nog waren de conclusies over ras. Die term, adviseerde de commissie, moest maar niet meer worden gebruikt. In plaats daarvan was het beter van ‘etnische groepen’ te spreken. ‘For all practical social purposes “race” is not so much a biological phenomenon as a social myth’ (UNESCO 1969:33).
Voor veel biologen was de verwijdering van de term ‘ras’ onacceptabel. Zij waren toch al argwanend, omdat ze in de commissie nauwelijks vertegenwoordigd waren geweest. Hoewel de ontwerptekst onder druk van onder andere de beroemde biologen Theodosius Dobzhansky en Julian Huxley (de eerste voorzitter van de UNESCO) al was aangepast, verscheen een jaar later toch een nieuwe verklaring, ditmaal opgesteld door een commissie waarin biologen de meerderheid vormden. En dus, zo merkte men op, geautoriseerd door ‘just those groups within whose special province fall the biological problems of race’.
‘De toch zeer brede consensus lijkt voorbij te zijn gegaan aan docent Kalma, die in het cursusmateriaal en zijn e-mailcorrespondentie met Versteegt spreekt van “de drie menselijke rassen” en meent dat er “gemiddeld” niets mis is met Rushtons onderzoek.’
De fysisch antropologen, genetici en biologen waren er niet zo zeker van dat de mens inderdaad van nature is genegen tot verbroedering. Strijdlust leek evengoed deel van de menselijke natuur. Het rasbegrip werd bovendien in ere hersteld; men had nog wel geprobeerd een nieuwe term te bedenken om de oude, zo vaak misbruikt, te vervangen, maar dat was niet gelukt. Dat rassen bestaan, was in ieder geval zowel de wetenschapper als de gewone man onmiddellijk duidelijk: de eerste op grond van zijn metingen, de tweede op grond van ‘the immediate evidence of his senses when he sees an African, a European, an Asiatic and an American Indian together’ (UNESCO 1969:37). Dit laatste argument gebruikt Rushton overigens nog steeds: wie onbevooroordeeld, als de spreekwoordelijke bezoeker van Mars, de mensheid in ogenschouw neemt, ziet gewoon dat de mensheid uit verschillende rassen bestaat (Rushton 1995:1).
Voor het overige werden de conclusies uit 1950 grotendeels aanvaard: de rassen zijn geen afzonderlijke populaties maar lopen geleidelijk in elkaar over; ‘hybridisering’ is normaal en levert geen inferieur nageslacht op; de verschillen tussen individuen van één ras zijn doorgaans groter dan de verschillen tussen rassen; er is geen bewijs dat er raciale verschillen bestaan in aangeboren intellectuele capaciteiten. Het eerdergenoemde Proposal on the Biological Aspects of Race uit 1964 herhaalde deze argumenten, maar voegde hieraan toe dat het wetenschappelijk belang van raciale indelingen van de menselijke soort gering is. Het woord ‘ras’ werd nog maar enkele keren gebruikt. Net als de eerste verklaring uit 1950, legde het Proposal wel weer veel nadruk op het aanpassingsvermogen van de mens en op de overheersende rol van cultuur in de geschiedenis. Het amendement van de AAPA uit 1996 bevat ten slotte, in tegenstelling tot de UNESCO-Verklaringen, geen enkele verwijzing meer naar ‘de drie hoofdrassen’.

Wie de verklaringen van 1950 en 1951, het Proposal van 1964 en het amendement daarop uit 1996 naast elkaar legt, ziet weliswaar hoe van het klassieke rasbegrip uiteindelijk weinig tot niets overblijft, maar ontwaart ook de soms heftige discussies waar ze een neerslag van vormen. Een verklaring van een wetenschappelijke commissie kan altijd weer ondermijnd worden. Wie weet dat de eerste UNESCO-Commissie werd teruggefloten door de tweede, en dat de eerste verklaring niet de laatste was, neemt ze allicht minder serieus. Hoewel de meeste argumenten in het Proposal van 1964 nu nog steeds worden onderschreven, bestaan er tegenwoordig grote twijfels over de veronderstelde plasticiteit van het menselijk gedrag en over de hoofdrol die de cultuur krijgt toebedeeld. De UNESCO-Verklaringen worden mede schuldig geacht aan het creëren van een naoorlogs taboe op biologische gedragsverklaringen, dat onder andere de sociobiologie bijna de das omdeed (zie Malik, 2000 over ‘de UNESCO-mens’). Pas nu begint het taboe onder de overweldigende bewijslast te bezwijken, en kan eindelijk worden gezegd dat de menselijke natuur een belangrijke factor is in de totstandkoming van gedrag en cultuur. Dat is in ieder geval, inclusief de klacht over het taboe, de stelling van bijvoorbeeld de evolutionaire psychologie. Daarmee zijn we terug bij Rushton, die zich graag presenteert als een intellectuele held met de moed om tegen de politiek correcte stroom van het omgevingsdenken in te gaan. Bovendien noemt hij zich evolutionair psycholoog. Vooraanstaande evolutionair psychologen als John Tooby en Leda Cosmides zullen hem dat niet in dank afnemen. Die zijn nadrukkelijk niet geïnteresseerd in individuele of ‘raciale’ verschillen, nemen afstand van elke vorm van racisme, en vragen juist aandacht voor universele kenmerken van de menselijke natuur. (Zie bijvoorbeeld hun ‘Primer’.) Mensen als Rushton liften nu eenmaal graag mee op de golf van verzet die het oude ‘dogma’ heeft opgeroepen.

De suggestie van een taboe is, terecht of onterecht, snel gewekt wanneer een wetenschappelijke uitspraak een officieel karakter krijgt, bijvoorbeeld door het zegel van de Verenigde Naties. Daar komt bij dat de UNESCO-Verklaringen, evenals de uitspraak van de Commissie De Gaay Fortman, overwegend negatief geformuleerd zijn. De Statements on Race keren zich, steeds preciezer, telkens weer tegen hetzelfde doel: het negentiende-eeuwse idee van de drie rassen als discrete ondersoorten die gerangschikt kunnen worden naar hun graad van ontwikkeling of verwording. Dit is inderdaad nog steeds een verbazingwekkend populair idee. Het is daarom nuttig van tijd tot tijd te herhalen dat biologen en antropologen het niet onderschrijven. Dat laat evenwel onverlet dat de biologie wel andere vormen van variatie tussen populaties onderscheidt, die ook van toepassing zouden kunnen zijn op de mens. Volgens Jonathan Kaplan en Massimo Pigliucci (respectievelijk filosoof en bioloog) wordt het onderzoek naar menselijke variabiliteit gehinderd door de angst voeding te geven aan racisme, terwijl in de biologie concepten beschikbaar zijn die niets van doen hebben met het klassieke rasbegrip, maar die wel toepasbaar zouden kunnen zijn op de variatie tussen menselijke populaties (Kaplan en Pigliucci, 2002). Een veelbelovende kandidaat is volgens hen het ‘ecotype’: een populatie die een bepaalde aanpassing aan een kenmerk van de omgeving deelt. Kaplan en Pigliucci leggen uit dat ecotypes geen rassen in de klassieke zin zijn (een individu kan bijvoorbeeld tot verscheidene ecotypes behoren), maar dat het concept wel zou kunnen worden gebruikt om aspecten van menselijke variabiliteit te onderzoeken. Die worden nu ofwel gekaapt door mensen als Rushton, ofwel genegeerd of ontkend om elke schijn van racisme te vermijden. Zelfs houden ze de mogelijkheid open dat er menselijke populaties bestaan die bepaalde psychologische adaptaties delen, zoals grotere cognitieve vaardigheden. Er is geen bewijs dat zulke populaties bestaan, maar dat bewijst niet dat ze niet kunnen bestaan.

Een positieve benadering van de variatie tussen populaties zou de ruimte kunnen verkleinen voor pseudo-wetenschap die nu, onbedoeld, wordt gecreëerd door de defensieve houding van de Statements on Race. Iets dergelijks geldt voor de uitspraak van de Commissie De Gaay Fortman over het onderwijzen van ‘wetenschappelijk zeer omstreden’ theorieën. Het is inderdaad aanbevelenswaardig om niet aan kritiek voorbij te gaan bij het doceren van een psychologische theorie. Problematisch is natuurlijk wel wat precies in de categorie ‘zeer omstreden’ valt. Rushtons versie van de evolutionaire psychologie is zeker een goede kandidaat, maar valt het werk van evolutionair psychologen als Craig Palmer en Randy Thornhill, bekend van hun theorie over verkrachting als het resultaat van een geëvolueerde, natuurlijke neiging, daar ook onder? Omstreden, zeker, maar minder controversieel dan Rushtons ideeën. Discussies over grensgevallen zullen onvermijdelijk zijn, zelfs als de categorie ‘zeer omstreden’ nader wordt omschreven. Belangrijker is echter dat de aanbeveling (de commissie spreekt zelfs van een ‘didactisch vereiste’) niet bepaald uitnodigt tot het onderwijzen van controversiële theorieën. Het was beter geweest als de commissie haar conclusie positiever had geformuleerd. Het zou namelijk jammer zijn als docenten theorieën als die van Rushton helemaal niet zouden behandelen, wellicht met het idee dat studenten maar beter niet geconfronteerd kunnen worden met de verwarring van controverses.
Rushtons werk is een, weliswaar marginaal, onderdeel van de psychologie en als zodanig hoort het in principe thuis in het curriculum. De brede marges van de psychologie zijn juist kenmerkend voor de discipline. Het is uitermate leerzaam te weten dat het in de psychologie mogelijk is om in legitieme, peer-reviewed tijdschriften als Personality and Individual Differences – Rushtons voornaamste medium – onderzoek te publiceren dat door andere psychologen wordt afgewezen omdat het methodologisch en theoretisch volstrekt niet deugt. Als Rushton wordt genegeerd in het onderwijs, bestaat bovendien het risico dat zijn werk aantrekkelijk blijft als moedige, taboedoorbrekende wetenschap.

M.m.v. Rod Buchanan.

Maarten Derksen is als UD verbonden aan de sectie Theorie & Geschiedenis van de Psychologie van de Rijksuniversiteit Groningen.
Literatuur

Eindrapport van de ad hoc-commissie Klacht Onderwijs Sociale Wetenschappen
door B. de Gaay Fortman, A. Pilot en P.J.D. Drenth 2004.

The Importance of Collecting Data and Doing Social Scientific Research on Race
American Sociological Association 2002.

On the Concept of Biological Race and its Applicability to Humans.
Paper presented at the Philosophy of Science Association, 18th Biennial Meeting.
door Jonathan Kaplan en Massimo Pigliucci 2002.

Man, Beast, and Zombie. What Science Can and Cannot Tell Us about Human Nature
door Kenan Malik.
Weidenfeld & Nicolson. Londen 2000.
458 pag. € 42,52

Statement on ‘Race’
American Anthropological Association 1998.

‘Statement on the Biological Aspects of Race’
American Association of Physical Anthropologists 1996.
American Journal of Physical Anthropology, 101, 569-570.

‘Intelligence: knowns and unknowns’
door U. Neisser et al. 1996.
American Psychologist, 51, 77-101.

‘Review of Rushton’s Race, Evolution, and Behavior’
door G. Whitney 1996.
Contemporary Psychology, 41, 1189-1191.

Race, Evolution, and Behavior. A Life History Perspective
door J. Philippe Rushton.
Transaction. New Brunswick 1995.
388 pag. € 23,-

Statement on ‘Race’ and Intelligence
American Anthropological Association 1994.

The Bell Curve. Intelligence and Class Structure in American Life
door Richard J. Herrnstein en Charles A. Murray.
The Free Press. New York 1994.
845 pag. € 38,50

Four Statements on the Race Question
UNESCO. Parijs 1969.
Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests