Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

30 juni 2003

Racistisch onderwijs?

Willem K.B. Hofstee

Begin dit jaar diende een Utrechtse studente een klacht in tegen een docent wegens het opvoeren van Rushton’s humane-rassentheorie in een cursus. Die klacht werd niet gehonoreerd. De nieuw aangetreden decaan van de faculteit in kwestie kreeg van de studente het verzoek haar klacht te heroverwegen. Overleg tussen beiden leidde tot een verzoek aan mij, in meer algemene termen een oordeel te geven over de houdbaarheid van Rushton’s theorie, en over de vraag of bij zo’n theorie bijzondere kritische aandacht in het betreffend onderwijs noodzakelijk is. Van de kant van de studente werd daarbij de vraag gevoegd naar een oordeel over de uitgebreide e-maildiscussie tussen haar en de docent, en bijlagen daarbij. Ik doe dat laatste tussen de regels door. Aan de vraagstelling geef ik mijn eigen wending.

0. Vooraf: het verbaast mij dat zo’n individuele klacht blijkbaar ontvankelijk is verklaard. Klaagster had geen procesbelang. De klacht richtte zich eventueel tegen de kwaliteit van het onderwijs, en werd dus als het ware namens studenten in het algemeen ingediend. Onder zo’n “collectieve klacht” horen dan ook een aantal handtekeningen van studenten staan. Die vereiste lijkt mij getuigen van wijsheid: ze werkt onderlinge discussie bij studenten in de hand, en belemmert dat individuen zich de rol van eenzame held(in) of martelaar(ster) aanmeten. Overigens ben ik er geen voorstander van, principiële kwesties in een juridisch kader te trekken. Dus zelfs in geval van een ordentelijke collectieve klacht zou men zich m.i. hebben moeten afvragen of hier niet sprake was van misbruik van recht.
1. Wat de kwestie zelf betreft, heb ik me afgevraagd waarom ik nooit in mijn onderwijs of onderzoek naar Rushton’s werk heb verwezen, terwijl ik bijvoorbeeld midden jaren ’90, toen Herrnstein en Murray’s The Bell Curve verscheen, daar wel uitgebreid aandacht aan heb geschonken, en me meer in het algemeen weinig aan overwegingen van politieke correctheid gelegen heb laten liggen. Had ik goede redenen om Rushton buiten beschouwing te laten?
1.1. Die redenen kunnen in elk geval niet zijn gelegen in iets als onhoudbaarheid van Rushton’s rassentypologie. Ik bedoel daarmee louter dat naar mijn, betrekkelijk oppervlakkig, oordeel Rushton’s ideeën niet dusdanig onzinnig zijn dat ze buiten de wetenschap zouden moeten worden geplaatst. Mijn oordeel is oppervlakkig omdat die ideeën me maar matig interesseren, en ik ook nu niet de aandrang voel me er grondig in te gaan verdiepen. Maar geen van de zakelijke verwijten die Rushton in wetenschappelijk opzicht zijn gemaakt, zijn specifiek: er valt altijd af te dingen op de empirische basis; een theorie omvat per definitie niet de volle en definitieve waarheid; ervalt altijd kritiek te leveren op termen en begrippen (in casu “ras”; zie echter bijv. Art. 2 van de Universele Verklaring, de Nieuwe Beroepscode van het NIP, de Grondwet, enz.). Anders gezegd: iedere theorie is vroeger of later “onhoudbaar”. De marginale toetsing zou daarentegen betrekking moeten hebben op de vraag of ze wetenschappelijk is. Ze is dat aangezien ze aan empirische gegevens refereert. Zo zou bijvoorbeeld in de (verre) toekomst kunnen blijken dat er in de genetische massa van verschillende “rassen” geen psychologisch relevante verschillen zijn aan te treffen. Daarmee zou de theorie zijn ontkracht. Het gedachte-experiment wijst op het wetenschappelijk gehalte van de theorie.
1.2. Een verwant gedachte-experiment, nu toegespitst op het onderwijs, is of bepaalde leerstof tentamineerbaar is. Naar mijn overtuiging zijn waardeoordelen niet tentamineerbaar. De vraag bijvoorbeeld of Afrikaanse mensen gemiddeld inferieur zijn aan Chinese, is geen goede tentamenvraag. De reden is dat zo’n vraag de tentaminandus in een dwangpositie plaatst: hij/zij wordt gedwongen een waardeoordeel te onderschrijven op straffe van een lager cijfer. Nu wordt dat probleem soms omzeild met een inkleding, bijvoorbeeld “Rushton is van mening dat ....: ja/nee”. Maar ook die oplossing kan in mijn ogen geen genade vinden. Onderwijs heeft geen betrekking op wat Jan of Piet vindt, maar op wat het geval is. - Maar tegen die achtergrond zie ik al evenmin reden om Rushton te wraken. Dat bijvoorbeeld de gemeten intelligentie van zwarte mensen gemiddeld lager ligt dan van witte, is een empirische propositie: honni soit qui mal y pense. Of het waar is of zelfs maar interessant, is vers twee, maar het is geen waardeoordeel.
1.3. Zijn zulke ideeën in maatschappelijk opzicht gevaarlijk, en zouden ze daarom moeten worden geweerd? Ik heb daar allerlei gemengde gevoelens over.
1.3.1. In de eerste plaats berust dat argument op een mensbeeld dat ik niet deel. Dat beeld komt erop neer dat mensen, in hun naïviteit, niet in staat zouden zijn theorieën kritisch tegemoet te treden, en er op een oorzakelijke manier door zouden worden beïnvloed. Mensen zouden constateringen min of meer automatisch omzetten in waardeoordelen. Sociaal-wetenschappelijke uitspraken zouden aldus, ongeacht hun empirisch gehalte, het karakter krijgen van self-fulfilling prophecies. Ik heb dat mensbeeld ooit aangeduid als “fragilistisch”: het idee dat mensen uiterst breekbare poppetjes zijn, die koste wat kost tegen zichzelf moeten worden beschermd. Mijn punt is niet eens zozeer dat fragilisme weinig empirische grond onder de voeten heeft (het beroemde Pygmalion-effect in het onderwijs en het band-wagoneffect van opiniepeilingen bijvoorbeeld blijken niet of nauwelijks repliceerbaar), maar vooral dat het getuigt van elitarisme en latente minachting. Het is niet mijn bedoeling in reactie daarop de mensheid op te hemelen. Ik denk integendeel dat mensen dikwijls uit troebel water die argumenten opvissen die ze in de kraam te pas komen. Maar dat is heel wat anders dan, zelfs eerder tegengesteld aan, kwetsbaarheid en slachtofferschap.
1.3.2. In de tweede plaats denk ik dat taboe’s contraproductief zijn uit een oogpunt van praktische politiek. De recente politieke geschiedenis van Nederland draagt materiaal aan voor die stelling. Taboe’s helpen een klimaat te scheppen waarin demagogen kunnen kapitaliseren op vrij breed gedeelde irritaties over “gestudeerde types” van de “linkse kerk”. Volgens een intussen nog breder gedeelde analyse hebben de handhavers van taboe’s voor die irritaties ook alle aanleiding gegeven. Wat de onderhavige problematiek betreft, het zou me niet verbazen wanneer de geschiedschrijving zou uitwijzen dat mensen als Rushton door jonge linkse intellectuelen in het extreem-rechtste kamp zijn gedreven, in plaats van daar te zijn begonnen. Met een wat relekstere opstelling (mijn rolmodel in deze is wijlen Ien Dales, die er geen moeite mee had de Kamer mee te delen dat onder bepaalde allochtone groepen sprake was van verhoogde criminaliteit) zou extreem rechts verschrompelen tot de harde kern die nu eenmaal in iedere samenleving aanwezig is.
1.3.3. Een derde overweging, die tegen de vorige ingaat, is dat ik individuele verschillen en, a fortiori, groepsverschillen maar matig interessant vind. Ik heb artikelen in voorbereiding met titels als “people don’t differ all that much” en “personality in proportion”. De algemene teneur daarvan is dat mensen, waaronder met name psychologen, geneigd zijn individuele verschillen op te blazen, wat prima is in een romantische context, maar aantoonbaar niet op zijn plaats in zakelijke, rationele, en wetenschappelijke sferen. Veruit de meeste mensen zijn intelligent en sociaal wenselijk, de een hoogstens wat meer dan de ander, en alleen in de uiterste staart van de scheve verdeling bevinden zich personen waar men zich zorgen over moet maken. Tegen die achtergrond heb ik bijvoorbeeld bij gastoptredens in een college cross-culturele psychologie, groepsverschillen voornamelijk gerelativeerd, overigens niet dan nadat ik had betoogd dat zogenaamde culturele en genderverschillen best een biologische basis zouden kunnen hebben. Maar mijn relativering van individuele en groepsverschillen is een kwestie van accent. Ik heb niet de neiging ze te ontkennen.
1.4. Per saldo kom ik tot de conclusie dat ik onvoldoende redenen had om het werk van Rushton onbesproken te laten. Nu kan een mens niet alles, maar ik sluit niet uit dat ik me bij mijn keuzes ten onrechte heb laten beïnvloeden door de internationale hetze die daartegen is gevoerd, en waarvan ik me vagelijk bewust was. Overigens geneer ik me ook weer niet zo erg voor een mate van lafheid. In ieder geval staat voor mij als een paal boven water dat een docent als de onderhavige, voor wie Rushton’s typologie een functie had in zijn eigen theoretisch betoog, zich nergens door hoefde te laten weerhouden.
2. Vervolgens de vraag of bij het behandelen van een theorie als deze “bijzondere kritische aandacht” van de kant van de docent noodzakelijk is. Als met dat “bijzondere” wordt bedoeld dat de student attent wordt gemaakt op banden van een auteur met extreem-rechtse (of -linkse) organisaties, dan is het antwoord nee. In de wetenschappelijke discours is en blijft het argument ad hominem ongeldig. Een docent die theorieën zou bestrijden of zelfs maar relativeren door ze op die manier te behandelen, zou onmiddellijk moeten worden geschorst. Voor iemand die nog niet is afgestudeerd kan worden volstaan met een waarschuwing of berisping. Natuurlijk kan uit wetenschapspsychologisch, -historisch, of -sociologisch oogpunt zo’n affiliatie interessant zijn, maar in dat gezichtspunt staat de inhoud van de theorie niet als zodanig ter discussie. Ook spreekt vanzelf dat bij de inhoudelijke behandeling van theorieën van wie dan ook, kritische aandacht op zijn plaats is, overigens niet alleen van de kant van de docent. En last but not least, het staat studenten en docenten vrij een grondige antipathie te hebben tegen bepaalde theorieën, zozeer dat je er liefst niets mee te maken hebt.
3. Bij wijze van naschrift een korte reflectie op wat ik beschouw als de missie van mijn vak, speciaal in relatie tot biologische determinanten van gedrag die hier op de achtergrond aan de orde zijn. Ik zie de missie van de psychologie niet liggen in het vlak van voorspellen, verklaren en beheersen van andermans gedrag: psychologie doe je voor de mensen zelf, in hun redelijke en aanspreekbare momenten. Ze bevordert, als het goed is, de vrijheid, andermans vrijheid wel te verstaan. Maar ze doet dat niet door, tegen de feiten in, determinanten van gedrag te ontkennen: de cliënt is daar niet mee gediend. Hoe beter de machinerie van mensen in kaart wordt gebracht, inclusief de biologische – en ook de, zij het doorgaans zwakkere, maatschappelijke – determinanten, zoveel te beter worden die mensen zelf in staat gesteld hun eigen gedrag te managen. Bij het nemen van die verantwoordelijkheid kan de voluntaristische fictie van absolute vrijheid alleen maar remmend werken.

Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests