Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

2 maart 2004

De volgende brief van dr. A. Kalma is ter publicatie aangeboden aan het Utrechts Universiteitsblad. Door zijn wereldreis per zeilboot heeft dr. Kalma niet eerder gelegenheid gehad om te reageren op het rapport van de Commissie en het oordeel van het College van Bestuur van de universiteit Utrecht.

Vermeend racisme
In de discussie rond Rushton heeft mijn inbreng tot nu toe ontbroken.
Mijn e-mail adres is op diverse plaatsen binnen de FSW bekend, o.a. bij PZ. Door daar niet te informeren heeft het U-blad gekozen voor een mediadynamiek waarin het creëren van opwinding prevaleert boven het recht op weerwoord. Het gevolg is, naar ik heb begrepen vanuit mijn verblijf in Patagonië, dat ik afgeschilderd wordt als iemand die kritiekloos racistische theorieën verdedigt. Dat is absolute nonsens.

Ik heb dat bewuste collegegedeelte geïntroduceerd met de opmerking dat het zou gaan over een theorie van iemand die tijdens lezingen bekogeld wordt met rotte tomaten vanwege racistische opvattingen. Maar dat, binnen een meer algemeen kader van omgevingsinvloeden op gedrag (zie beneden), er aspecten in zijn benadering zitten waar je niet helemaal om heen kunt. Besluitend met: “Jullie moeten maar eens kijken wat je er zelf van vindt.”
In de discussie tijdens en volgend op de uiteenzetting vonden studenten dat er zeker misbruik van gemaakt zou worden. Mijn reactie daarop is geweest dat het met zo’n theorie inderdaad gemakkelijker wordt racistisch gedrag te rechtvaardigen, maar ook dat misbruik van een theorie los staat van het wetenschappelijk gehalte.
Om een niet-controversieel voorbeeld uit een andere context te nemen, misdadig gebruik van atoombommen maakt de atoomtheorie niet minder juist.
Het dilemma waarvoor je geplaatst wordt als je de benadering van Rushton categorisch afwijst, is dat je dan ofwel ook een substantieel brok gedragsecologisch onderzoek binnen de biologie moet afwijzen, ofwel moet verklaren waarom al die gegevens wel gelden voor dieren maar niet voor mensen. (Beide opties zouden impliceren dat ik de cursus onmiddellijk had moeten stoppen.) Maar dat mijn keuze toch zou zijn: onder ogen zien van de benadering en onderzoek naar mogelijkheden om de informatie in positieve zin te gebruiken.
Als Rushton´s standpunten gebaseerd zouden zijn op verschillen in intelligentie en criminaliteit tussen Aziaten, blanken en zwarten zou ik er niet over hebben gepraat.
Niet interessant en omstreden wegens cultuurgevoelige tests of sociale omstandigheden. Er zijn echter minder cultuurgevoelige verschillen, zoals de snelheid van rijping van de kinderen en de proportie geboren tweelingen en drielingen (laagst bij Aziaten, hoogst bij zwarten). Met name de snelheid van rijping zou je lager verwachten onder slechte sociale omstandigheden die onvermijdelijk slechte voeding met zich meebrengen. Hoe kan dat verklaard worden? Of moet je die vraag vermijden?
Ik heb dat laatste niet gedaan, mede omdat ik studenten niet beschouw als passieve consumenten van de aangeboden leerstof . Er is buitensporig veel gediscussieerd in de cursus, letterlijk alles hebben de studenten tijdens de colleges ter discussie gesteld. En is het niet een historische taak van de universiteit om studenten te confronteren met controversiële theorieën? Bovendien is het teveel eer voor Rushton om te praten alsof zijn vergelijking tussen de genoemde bevolkingsgroepen gebaseerd is op zijn eigen onderzoek.
Integendeel, hij baseert zich grotendeels op gepubliceerd onderzoek van anderen. Redacties van tijdschriften met redelijke status hebben dat geaccepteerd. Als dat niet genoeg is moet er wellicht een commissie van wijze mannen komen die een lijst opstelt van tijdschriften die studenten wel en niet mogen lezen.

De theoretische achtergrond die Rushton gebruikt komt uit de evolutiebiologie. Met name de mate waarin omgevingen verschillen in voorspelbaarheid van de beschikbaarheid van voedsel brengt een groot aantal uiteenlopende verschijnselen onder een paraplu.
In onvoorspelbare omgevingen is een soort gebaat bij snelle reproductie (r) op gunstige momenten. Er evolueren gedragsadaptaties die omschreven kunnen worden als gebruik makend van de gunstige gelegenheid, opportunistisch. Het bijbehorende proces wordt r-selectie genoemd. Onder andere, planten en dieren die in de bodem leven van modderpoelen die maar eens in de zoveel tijd onder water staan zijn sterk r-geselecteerd. Bij regenval wordt er onmiddellijk hevig gereproduceerd.
In meer stabiele omgevingen zou een continue snelle reproductie de draagkracht van het milieu overschrijden, zodat het evolutieproces daar leidt tot een relatieve nadruk op competitie en kwalitatieve gedragsstrategieën binnen de draagkracht K van dat milieu. Onder andere bomen, met hun vermogen andere planten het leven moeilijk te maken (wegnemen van zonlicht) zijn relatief sterk K-geselecteerd.
Versimpeld kan gesteld worden dat soorten (maar ook individuen en groepen binnen een soort) die sterker op reproductie gericht zijn, ook sterker r-geselecteerd zijn, terwijl een groter nadruk op kwalitatieve en lange termijn strategieën wijst op een relatief iets sterkere K-selectie.
Een van die kwalitatieve strategieën is de hoeveelheid en de mate van zorg voor nageslacht, die stabiele omgevingen groter is dan in onstabiele. Zo wordt de reuzenalbatros, waarvan een paar er enkele jaren over doet om één jong groot te brengen, sterk K-geselecteerd genoemd. Groepen en individuen binnen een soort kunnen verschillen in de mate van r- resp. K-gedrag (die zoals vrijwel elke biologische variabele normaal verdeeld zijn).
Sekseverschillen, o.a. in zorg voor het nageslacht, die bij veruit de meeste soorten, inclusief de mens, groter is bij de vrouwtjes, laten zich formuleren in termen als: vrouwtjes van soort x zijn iets meer K-geselecteerd dan mannetjes. “Tegenover” deze kwalitatieve vrouwelijke strategie staat die van mannetjes, die in het algemeen minder investeren, terwijl er bij hen sprake is van een meer opportunistische seksuele strategie.

Deze gedragsecologische benadering brengt tamelijk veel verschijnselen onder een noemer. Ook criminaliteit (als vorm van opportunistisch gedrag) laat zich binnen dit framework van r- en K-selectie goed beschrijven. Onder anderen de Amerikaanse onderzoeker Malamuth laat zien dat er een verband is tussen seksueel en crimineel opportunisme.
De essentie van Rushton’s toevoeging is dat hij uit onderzoeksresultaten van merendeels anderen, een aantal graduele verschillen heeft geplukt tussen Aziaten, blanken, en zwarten, die consistent binnen het r-K framework passen. Ik heb daar nog geen goede tegenargumenten op gehoord.

Kunnen die verschillen door de omstandigheden veroorzaakt worden?
Sommige zeker. Er zijn prachtige voorbeelden uit de antropologie die laten zien dat menselijke groepen door verandering in met name de voedselsituatie in no-time iets kunnen verschuiven op karakteristieken die gelieerd zijn aan de r-K dimensie (o.a. opnieuw de zorg voor kinderen). Ook dit soort zaken zijn behandeld in de cursus, die in z´n geheel gekenmerkt werd door grote aandacht voor de nature – nurture balans. Niks geen eenzijdige behandeling dus, zoals een commissielid wel aanneemt.

Het punt is dat Rushton zich heeft gelieerd aan extreemrechtse groeperingen. Dat is uitermate kwalijk en zeker voor een wetenschapper. Maar, zoals boven gesteld, het maakt een verklarend framework uit de evolutiebiologie niet minder juist, zelfs als daar verschillen tussen bevolkingsgroepen inpassen die door racisten gebruikt kunnen worden voor zeer verwerpelijke doeleinden.

Als de commissie de klacht honoreert en vindt dat ik eenzijdig ben geweest dan wijs ik dat af. Ik heb vooraf een context gegeven van misbruik door racistische groeperingen. In de cursus is voortdurende aandacht geweest voor omgevingsinvloeden, zij het in interactie met geëvolueerde gedragssystemen.
Als een ander commissielid stelt dat ik Rushton zonder kritiek heb behandeld, dan ben ik het daar om dezelfde reden niet mee eens. Wat ik niet heb gedaan is ingaan op maatschappelijke consequenties van racisme. Dat vond ik en vind ik buiten de opzet van deze colleges evolutionaire psychologie liggen. En zeker ben ik niet normatief of opdringerig geweest, laat staan dat ik zelf racistische opvattingen heb. In plaats daarvan heb ik de zaak afstandelijk benaderd vanuit een evolutionair-biologisch kader.
Ik zou de uitspraak van een commissie willen die dat in aanmerking neemt in plaats van af te gaan op horen zeggen. Bij deze het verzoek aan het CvB om zo´n commissie in te stellen.

Akko Kalma

Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests