Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

Zwakzinnig Afrika jump to reactie IngeVersteegt

Onderstaande reactie van prof. Dr. Willem Koops (decaan FSW van de UU) op de klacht van Inge Versteegt aangaande "racistisch onderwijs" is op zijn verzoek geplaatst.
Het kan volgens de decaan gelezen worden als "een integrale reactie op de gebruikelijke beweringen van mevr Versteegt, zoals die in verschillende brieven, op websites en, fragmentair, in de media rondzingen".

Met grote tegenzin heb ik kennis genomen van een kopie van een brief van mevr Versteegt (gedateerd 2 oktober 2003) over een klacht met betrekking tot psychologieonderwijs dat naar haar mening betrekking had op “de rassentypologie van de Canadees Rushton”.
Deze mevr achtervolgt mij reeds vanaf de maand (januari) waarin ik aantrad als decaan. Ik heb zorgvuldig kennis van haar klacht genomen en van de afwikkeling van deze klacht. Ik heb geconcludeerd dat ik geen aanleiding zag de zaak te heropenen. Wij beschikken hier overigens over een gedetailleerd archief, waarin een en ander nauwkeurig gedocumenteerd is.
Ik heb mevr Versteegt uitgenodigd voor een gesprek en haar voorgesteld het verleden te laten rusten en naar de toekomst te kijken. Zij ging daarmee akkoord. We spraken in harmonisch overleg af een externe deskundige te vragen ons een oordeel te geven over twee vragen, hier kort te fraseren als: deugt de theorie van Rushton wetenschappelijk gesproken? En : Als je in het onderwijs Rushton behandelt is er dan reden meer dan gebruikelijk aandacht te besteden aan de relatie tussen wetenschap en ideologie? Wij besloten na ampel overleg en geheel in harmonie de emeritus-hoogleraar W.K.B. Hofstee uit Groningen om een deskundigen oordeel te vragen. Deze was daartoe bereid en gaf een dergelijk oordeel.
Ik teken aan dat mvr. Versteegt en ik ons bij voorbaat hadden vastgelegd op dit oordeel en het voornemen hadden een gezamenlijke verklaring naar aanleiding ervan uit te doen gaan naar de pers, door wie wij voortdurend benaderd werden (U krantje, Volkskrant, Propria Cures). Ook teken ik aan dat mevr Versteegt zich persoonlijk wendde tot het Landelijk Bureau Racisme Bestrijding. Ik heb haar er op gewezen dat ik aan het oordeel van het LBR geen behoefte had: de procedurele kant van mevr Versteegt’s klacht als zodanig beschouwde ik immers als afgewikkeld. Ik heb overigens wel kennis van de reactie van het LBR kunnen nemen en heb geconcludeerd (en mevr Versteegt laten weten) dat de reactie van het LBR inderdaad betrekking had op de procedurele kant van de klachtenafwikkeling en ook dat het LBR meende de heer Rushton’s theorie en empirie te moeten diskwalificeren. Ik zou echter met de beste wil ter wereld niet weten waarom ik een dergelijk ongevraagd oordeel van niet-inhoudelijk deskundigen serieus zou moeten nemen.
Terug naar het advies van Hofstee: deze liet beargumenteerd weten dat er wetenschappelijk niets mis is met Rushton en ook dat hij niet kon inzien dat argumenten ad personam ooit een rol zouden mogen of moeten spelen in het academisch onderwijs.
Mevr Versteegt nam kennis van dit oordeel en verwierp dat meteen. Ze ging nog een stap verder: ze discrediteerde in adem door ook collega Hofstee. Voor mij was toen de maat eigenlijk wel vol. Ik heb nog een concept gemeenschappelijke verklaring opgesteld, maar helaas mevr Versteegt wilde daar niets meer van weten. Ik heb haar bericht dat ik niet langer kan verantwoorden mij nog met haar meningen bezig te houden en het contact beëindigd.

Het meest treurig aan dit alles is dat mevr Versteegt zich niet houdt aan afspraken, voortdurend feiten verdraait en eindloos suggestief rapporteert (in haar brief en de daarbij gevoegde bijlage zie ik staan –het zijn slechts voorbeelden- dat ik niet op aangetekende brieven zou hebben gereageerd (pertinent onjuist), dat ik zou hebben afgesproken ook het oordeel van de LBR in een gezamenlijke verklaring op te nemen (pertinent onjuist), ik heb niet het LBR verslag terzijde geschoven, ik had van te voren expliciet afgesproken met mevr Versteegt dat we niet meer zouden ingaan op de oorspronkelijke klacht (!!), enzovoort en zo verder).
Ik moet dus vaststellen dat ondanks mijn inspanningen en geduld, en ondanks mijn precieze afspraken met mevr Versteegt, zij zich telkenmale opnieuw terugtrekt op haar oorspronkelijke positie van klaagster. Zij houdt zich eenvoudig niet aan overeenkomsten,zoals de afspraak dat we ons vastleggen op het deskundigen oordeel, waartoe we ons beiden in vrijheid hebben gecommitteerd. Sterker nog zij bestaat het in het licht van de haar onwelgevallige uitkomsten de deskundige achteraf te diskwalificeren. Dit verraadt een zo fundamenteel onwetenschappelijke attitude dat het mij droef te moede wordt als ik bedenk waar ons onderwijs en onze wetenschappelijke opvoeding voor wil staan.

Om kort te gaan: ik heb alles geprobeerd wat redelijk is, maar kan tegen de onoorbare vermenging van mevr Versteegt’s ideologische parti pris en suggestieve reconstructie van feitelijkheden niet op. Voor mij is deze zaak dus afgewikkeld.
Het spijt me dat ik niet in staat ben deze mevrouw te stuiten in haar drang gewoon op elk volgende niveau weer opnieuw te beginnen. Ik sta paraat, met archieven en al en zal proberen te voorkomen dat mevr Versteegt de Utrechtse Universiteit, in het bijzonder het psychologieonderwijs binnen mijn faculteit, ongeremd bekladt, alsmede een docent, onderwijsdirecteur en decaan, daartoe in de gelegenheid gesteld door de kennelijk gretige media.

Was getekend, Willem Koops
Decaan FSW, Universiteit Utrecht
7 oktober 2003


Reactie op beschuldigingen

door Inge Versteegt

NB. Onderstaande reactie is weinig interessant voor diegenen die zich willen verdiepen in de inhoud van de theorie van Rushton of wat er daarover tijdens het bewuste onderwijs is gezegd. Andere documenten op de ‘testresearch’ site bieden daarover meer informatie. In deze reactie zal ik beweringen van de heer Koops uit een eerdere bijdrage op deze site, weerleggen.

Sinds 13 januari 2004 staat op deze site een stuk, dat geschreven is door de heer Koops, decaan van de faculteit Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Het is onduidelijk aan wie deze reactie (die van 8 oktober zou dateren?) oorspronkelijk is gericht, wel is duidelijk dat de heer Koops mij beschuldigt van het verdraaien van feiten.
De heer Koops uit in zijn document specifieke beschuldigingen, die op mij persoonlijk zijn gericht. Bovendien spreekt hij vanuit zijn functie als decaan van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Dhr Koops beschuldigt mij van leugens en van het ‘ongeremd bekladden’ van de goede naam van de faculteit en de universiteit Utrecht. Dit zonder dat hij hiervoor ook maar enig bewijs overhandigt.

In de onderstaande reactie wil ik ter verdediging van mijzelf enkele feiten opnoemen die in de brief van de heer Koops onbelicht blijven of worden verzwegen. In tegenstelling tot de heer Koops verwijs ik naar de documenten die de juistheid van mijn beweringen onderbouwen.

Volgens de heer Koops zou hij ‘vanaf januari 2003’ door mij in deze zaak worden ‘achtervolgd’. Echter, mijn eerste verzoek aan de decaan – per aangetekende brief – dateert van 10 maart. Hij berichtte toen de brief niet te willen behandelen (e-mail, 12 maart 2003).
Vervolgens zou de heer Koops mij hebben ‘uitgenodigd voor een gesprek’. Echter, pas na vragen vanuit de faculteitsraad en door een publicatie in het u-blad, was hij tot een gesprek bereid ( u-blad, 8 mei 2003).

Van dit – informele – gesprek is niets op schrift vastgelegd, in weerwil van de bewering van dhr. Koops die het heeft over ‘precieze afspraken’ die zouden zijn ‘vastgelegd’. De heer Koops blijkt achteraf met mij van mening te verschillen over wat er is overeengekomen. Ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst, is het wel mogelijk om de afspraken te reconstrueren uit diverse documenten zoals e-mails.
Hieruit blijkt dat de afspraak, zoals de heer Koops deze schetst en waarvan hij beweert dat ik deze zou hebben geschonden, afwijkt van wat wij daadwerkelijk waren overeengekomen. Ook andere verwikkelingen rond deze mislukte afspraak, die de heer Koops beschrijft, zijn in tegenspraak met de gedocumenteerde correspondentie.

  1. In een e-mail van 6 juni van mij aan dhr. Koops blijkt dat ik, wat betreft de deskundige, de keuze had gekregen uit de heer Drenth of de heer Hofstee, en dat ik deze keuze uiteindelijk aan de heer Koops heb gelaten. Dat betekent dat niet ‘wij besloten’ – zoals dhr Koops beweert – maar dat dhr. Koops zelf besloot zijn voormalig promotor prof.dr.Hofstee als deskundige te benaderen.
  2. Volgens dhr. Koops heeft dhr Hofstee in zijn oordeel ‘beargumenteerd laten weten’ dat Rushton een goede wetenschappelijke basis heeft. Maar in het oordeel van Hofstee wordt helemaal niet ingegaan op de inhoud van Rushtons beweringen, noch op de methoden waarmee deze meent te hebben aangetoond dat zwarten genetisch inferieur zijn op het gebied van intelligentie.
    In plaats daarvan geeft Hofstee duidelijk aan dat hij zich niet inhoudelijk heeft verdiept in de theorie van Rushton. Daarentegen houdt hij een meer filosofische verhandeling over academische vrijheid. (oordeel van Hofstee, 30 juli 2003, punt 1.1 , 1.3.1 e.v).
  3. Volgens de heer Koops zou ik het oordeel van de heer Hofstee hebben ‘verworpen’, en ook de heer Hofstee hebben ‘gediscrediteerd’. Echter in een e-mail van 5 september 2003 heb ik de heer Koops een voorstel gedaan om het oordeel van de heer Hofstee onverkort in onze verklaring over te nemen, alsmede het oordeel van het LBR. Ik heb de heer Hofstee daarbij op geen enkele wijze in discrediet gebracht.
  4. Het oordeel van het LBR zou wel degelijk worden gebruikt als basis voor de gezamenlijke verklaring. Dit blijkt uit een e-mail van de heer Koops aan mij (30 juli 2003) waarin hij naar dit door mij toegestuurde oordeel verwijst. Ook de journaliste van de Volkskrant, Janny Groen, bevestigt dat de heer Koops in een telefoongesprek aangaf dat het oordeel van het LBR in de verklaring zou worden overgenomen (e-mail van Janny Groen aan mij, 15 oktober 2003).

De heer Koops grijpt onze onenigheid over de inhoud van onze afspraak aan om mij een ‘fundamenteel onwetenschappelijke grondhouding’ toe te schrijven. Doordat ik het oordeel van Hofstee heb voorzien van kritiek, en doordat ik het oordeel van Hofstee niet zou hebben willen accepteren (waarvan het laatste aantoonbaar niet het geval is), zou blijken dat ik onvoldoende wetenschappelijk onderlegd ben.
Dit doet hij zonder ooit een tentamen, opdracht of onderzoeksvoorstel van mij te hebben ingezien.
Ik vind het uitermate beledigend dat de decaan mij zonder enige reden – namens de faculteit – kan betichten van een onwetenschappelijke grondhouding.

Tenslotte zou ik de docent, de faculteit en de universiteit ‘ongeremd bekladden’. Dit terwijl ik mij al een jaar lang inspan om deze kwestie intern te laten oplossen.
Uit het eerder vermelde e-mailcontact met Janny Groen van de Volkskrant (die mij benaderde na een artikel in het u-blad) blijkt dat ik verzocht heb om de naam van de docent onvermeld te laten. Dat zij deze toch heeft afgedrukt kan mij niet worden verweten.
Na het besluit van de heer Koops in maart 2003 om mijn verzoek om heroverweging niet in behandeling te nemen, had ik dit meteen kunnen voorleggen aan de nationale ombudsman.
In plaats daarvan heb ik wederom besloten de zaak intern te houden.
Bovendien heb ik in een e-mail bericht aan de heer van Son gewaarschuwd voor een mogelijk mediaschandaal, en geprobeerd de kwestie nogmaals door de heer van Son te laten oplossen
(e-mail, 18 juli 2003)
In totaal heb ik ongeveer tien pogingen gedaan om deze zaak door instanties binnen de universiteit te laten beoordelen, zonder daar ooit instanties van buiten de universiteit over in te lichten.

Wanneer ik voor deze misstanden aandacht en oordelen blijf vragen bij diverse instanties binnen (of buiten) de universiteit, sta ik hiertoe volledig in mijn recht. Het is dan ook zeer opmerkelijk dat de decaan aangeeft zich te zullen inspannen om mij hierin tegen te werken.

Voor de media aandacht die deze kwestie trekt, wens ik geen verantwoordelijkheid te accepteren. Met uitzondering van het u-blad heb ik zelf nooit een krant of televisieprogramma benaderd met betrekking tot deze zaak. Het is de kwestie zelf, en het maatschappelijk belang rond ‘racistisch onderwijs’, dat deze media-aandacht veroorzaakt.

De heer Koops besteedt in zijn reactie buitensporig veel aandacht aan de afspraak die hij met mij zou zijn overeengekomen. Naar mijn mening is, los van onze afspraak, de decaan verantwoordelijk voor de inhoud van het universitair onderwijs op zijn faculteit. Afspraken met individuele studenten, ongeacht of deze zijn vastgelegd of ondertekend, kunnen hem niet van die verantwoordelijkheid ontheffen – al denkt hij daar zelf mogelijk anders over.



Inge Versteegt, 20 januari 2004



Achtergrondinformatie:

De heer Koops, decaan Sociale wetenschappen Utrecht, is in de zaak rond het onderwijs over de rassentheorie van Rushton betrokken sinds ik hem, na het oordeel (dd. 28 februari 2003) van de opleidingsdirecteur M.van Son in deze kwestie, op 10 maart 2003 heb verzocht om een heroverweging naar aanleiding van de beschikbare documenten over het betreffende onderwijs.
De heer Koops heeft – na uitgebreide correspondentie en een mislukte afspraak – uiteindelijk op 22 september per brief aangegeven niet meer over deze zaak te willen corresponderen. Ook wenste hij niet inhoudelijk over het betreffende onderwijs te oordelen. Hierop heb ik het College van Bestuur verzocht om een oordeel in deze zaak (2 oktober, brief).

In de door de heer Koops voorgestelde verklaring (22 september 13.34 u.,per e-mail) , die ik volgens hem moest ondertekenen, stond dat ik geen verdere aandacht meer voor de gang van zaken rond het betreffende onderwijs zou vragen. Het was m.i. de bedoeling dat de verklaring mij het recht zou ontnemen om verdere klachten in te dienen, met andere woorden om mij het zwijgen op te leggen.
Het is de vraag of de faculteit hiermee haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van onderwijs wel is nagekomen.
Daarnaast lijkt de klachtenprocedure niet te functioneren, die immers voorschrijft dat afgewezen klachten door de decaan heroverwogen worden.
De heer Koops gaf aan de oorspronkelijke klacht niet te willen herzien. Feitelijk heeft de heer Koops geen enkele officiële actie ondernomen, zelfs de verklaring die hij zo graag wilde uitbrengen over deze kwestie bleef in zijn bureaula liggen.

Door het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht is inmiddels een commissie van deskundigen benoemd, die zich precies met het onderzoeken van de door de heer Koops genegeerde inhoudelijke kant gaat bezighouden, en die ook een oordeel gaat vellen over de wijze waarop de heer Koops mijn klacht heeft behandeld (CvB, besluit dd. 13 januari 2004)

Aanvankelijk wilde ik niet op de uitlatingen van de decaan reageren, omdat ik mij dan zou laten verleiden om – zoals dhr. Koops graag wil – onze onenigheid over onze afspraak tot de kern van de zaak te maken, en daarmee de aandacht af te leiden van de inhoudelijke kant van het probleem, omtrent de vrijheid van een docent om in onderwijs misleidende informatie te verstrekken.
Dit blijkt ook uit het feit dat de heer Koops in zijn reactie niet inhoudelijk ingaat op de beweringen van de docent en die van Rushton met betrekking tot rasgerelateerd intelligentieverschil.

Tot nu toe heb ik slechts intern, bij de faculteitsraad, bezwaar aangetekend tegen de reactie van de heer Koops.
Echter, in een publicatie van NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag wordt de heer Koops geciteerd, en word ik publiekelijk voor leugenaar uitgemaakt. Daarom voelde ik me genoodzaakt nu toch in een openbare reactie in te gaan op de beweringen van de decaan. Dit omdat de ongefundeerde uitspraken van de decaan mijn geloofwaardigheid in deze zaak mogelijk ondermijnen.


Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests