Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

Groningen, 29 oktober 2003

Misleidend onderwijs

Geachte mevrouw Versteegt,

Hierbij wil ik reageren op de stukken die u mij heeft toegezonden in verband met uw klacht over de behandeling van de theorie van Rushton door de heer Kalma. Deze stukken bestonden uit e-mail correspondentie met de docent, enkele passages uit zijn boek en de reacties van de directeur van het Onderwijsinstituut, van een beleidsmedewerker van het LBR en van prof. Hofstee.

Ik heb de indruk dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat tussen (bevolkings)groepen verschillen in gemiddelde intelligentie kunnen bestaan en dat hierbij zowel erfelijke als omgevingsfactoren een rol kunnen spelen. Bovendien is men van mening dat onderzoek en onderwijs met betrekking tot dit onderwerp geen taboe dient te zijn binnen de universiteit.

Voor zover de psychologie door middel van tests of anderszins uitspraken doet over individuele personen of over groepen mag echter wel verlangd worden dat dit op een zorgvuldige manier gebeurt. Terecht wijst Hofstee erop dat de empirische onderbouwing het criterium vormt voor de vraag of een theorie wetenschappelijk is.

Rushton stelt dat het gemiddelde IQ van zwarte Afrikanen 70 is, van blanken 100 en van Aziaten 106. Deze cijfers worden ook door Kalma aangehaald waarbij hij opmerkt dat er uiteraard fluctuatie zit in de cijfers over de onderzoeken, maar dat het patroon steeds hetzelfde is. Volgens de docent is er ook geen kritiek geleverd op de onderzoeksresultaten waarop Rushton zich beroept, maar alleen op het meeromvattende kader van zijn theorie. Voor zover diverse wetenschappers tegen de theorie van Rushton waren, hadden ze geen sterke argumenten, aldus Kalma.

De eerder genoemde verschillen in gemiddelde intelligentie van 70, 100 en 106 worden door de docent gepresenteerd als een vaststaand empirisch gegeven dat niet door andere wetenschappers wordt betwist.

Het belang van de verschillen wordt door Kalma gerelativeerd: “Het zal me dus worst wezen dat Aziaten gemiddeld iets intelligenter zijn dan Europeanen, of Afrikanen iets minder.”; “De verschillen zijn relatief, ze zeggen weinig over een individu. Ondanks dat mannen gemiddeld langer zijn dan vrouwen zijn veel mannen kleiner dan veel vrouwen.”; “Bovendien zitten de witte mensen tussen de Aziaten en de zwarte mensen in. Dus elk verwijt dat je bv. zwarte mensen in een nadelig daglicht stelt, impliceert meteen dat je de witte mensen in een nadelig daglicht stelt t.o.v. de Aziaten”.

De laatste opmerking negeert het feit dat volgens Rushton het verschil tussen Afrikanen en blanken vijf keer zo groot is als het verschil tussen blanken en Aziaten. Dat het verschil tussen een gemiddeld IQ van 70 en 100 wordt beschreven als van weinig betekenis, getuigt niet van kennis over de verdeling van IQ-scores. Vanaf een IQ-score van 85 zouden blanken oververtegenwoordigd zijn (aangenomen dat de IQ-scores van de Afrikanen ook normaal verdeeld zijn met een spreiding van 15) en de kans dat een willekeurige blanke intelligenter is dan een willekeurige Afrikaan zou groter zijn dan 90%. Begaafd, gedefinieerd als een IQ van 121 en hoger komt voor bij 8,5% van de blanken. Begaafde Afrikanen zouden echter moeilijk te vinden zijn, met een frequentie van minder dan 0,04 %. Daarentegen zou de helft van de Afrikaanse bevolking een IQ hebben lager dan 70. Door de COTAN (de Commissie Test-aangelegenheden van het NIP) wordt voor de classificatie van IQ-scores de volgende omschrijving aangehouden: IQ’s lager dan 35 worden gelabeld als ernstig of diep zwakzinnig; IQ’s van 35-49 als matig zwakzinnig en een IQ in de range van 50-69 betekent dat de betreffende persoon licht zwakzinnig is (Resing & Blok, 2002). Met de stelling van Rushton dat het gemiddelde IQ van de Afrikanen 70 is, wordt dus in feite beweert dat zo’n 50% van de zwarte bevolking van Afrika zwakzinnig is; ongeveer 40% is licht zwakzinnig terwijl ongeveer 10% van de bevolking matig tot diep zwakzinnig is.

Als Rushton gelijk zou hebben wat betreft het gemiddelde intelligentieniveau van de zwarte Afrikanen, dan is dit een enorm probleem dat alle aandacht verdient. Het is dan echter misleidend als een docent stelt dat de verschillen in gemiddelde intelligentie tussen de rassen gering zijn en weinig zouden zeggen over een individu. Bovendien mag van een docent verwacht worden dat hij zich er terdege van vergewist of de empirische onderbouwing van de stelling van Rushton overtuigend en zorgvuldig is. Uit de stukken die ik heb gezien maak ik echter op dat de docent niet duidelijk heeft gemaakt op welke empirische bevindingen het gemiddelde IQ van 70 van de Afrikanen is gebaseerd, terwijl hij ook niet bereid is om in te gaan op de wetenschappelijke kritiek op de stellingen van Rushton. Hij stelt zelfs dat de empirische onderbouwing van de theorie van Rushton niet door andere wetenschappers in twijfel is getrokken. Dat dit niet juist is blijkt uit de review van Wahlsten.

Het lijkt me dat in deze situatie voor de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht twee scenario’s denkbaar zijn:

  1. Men is van mening dat de door Rushton gepresenteerde verschillen in gemiddelde intelligentie juist zijn. In dit geval heeft men wel de plicht om de studenten te informeren dat het bij de theorie van Rushton niet om betrekkelijk geringe verschillen in gemiddelde intelligentie gaat maar om zeer grote verschillen met verreikende implicaties. Een heel continent waarvan de helft van de bevolking in lichte of ernstige mate zwakzinnig is, is natuurlijk een uitermate schokkend gegeven. De Faculteit zal wel in staat moeten zijn om duidelijk te maken waarop zij haar overtuiging stoelt dat het gemiddelde IQ van de zwarte Afrikanen gelijk is aan 70. Een verwijzing naar Rushton of het Darwin Research Institute volstaat niet.
  2. Men heeft niet de overtuiging dat wetenschappelijk is aangetoond dat de beweringen van Rushton over het gemiddelde intelligentieniveau van rassen juist zijn. In dat geval is de klacht over de wijze waarop de docent de theorie van Rushton heeft behandeld zeker terecht. De Faculteit zou de studenten dienen te informeren dat de mening van Rushton en Kalma over het intelligentieniveau van rassen ten onrechte als empirisch feit is gepresenteerd.

Bij het beoordelen van de empirische gegevens die Rushton aanvoert, is het van belang dat de gebruikte tests en de testsituaties niet gebiased waren, dus dat geen sprake was van een oneigenlijke benadeling van een bepaalde groep. Een bekend voorbeeld van testbias bij intelligentietests is het testen van de ene groep in de moedertaal en de andere groep in een taal die men pas op latere leeftijd (en veelal gebrekkig) heeft geleerd. Op grond van onderzoeken waarbij met dit taalverschil geen rekening is gehouden kwamen bijvoorbeeld Te Nijenhuis en Van der Flier (2001) tot de conclusie dat het gemiddelde intelligentieniveau van de Turkse en Marokkaanse bevolking in Nederland gelijk is aan 78. Ten onrechte zijn door hen verschillen in IQ-scores, die mede bepaald waren door een verschil in taalsituatie, geinterpreteerd als verschil in intelligentie (Tellegen, 2000, 2001). Het is niet uitgesloten dat dergelijke methodologische bezwaren ook gelden voor een deel van de studies waarop Rushton zijn stellingen baseert. Verder is het van belang dat bekend is wat zijn operationele definitie van de rassen is. Terecht is hier door de student op aangedrongen. Zonder een dergelijke definitie kan niet worden bepaald of Rushton’s generalisatie van onderzoeksgegevens naar een ras wel correct is.

Bij het conflict tussen de student en docent zijn allerlei elementen naar voren gekomen die gemakkelijk aanleiding kunnen zijn tot uitgebreide maar, in dit kader, weinig vruchtbare discussies, zoals vrijheid van wetenschap, gevoerde hetzes, discriminatie etc. Vanuit wetenschappelijk perspectief is echter de meest relevante vraag of de beweringen van Rushton en Kalma over het gemiddelde intelligentieniveau van rassen wel juist zijn. Het gaat hierbij niet om theoretische verklaringen, waarover men verschillend zou kunnen denken, maar om een empirisch gegeven dat al dan niet volgens wetenschappelijke criteria is vastgesteld. Aan de beantwoording van deze vraag zal de Universiteit zich niet kunnen onttrekken. Hierbij geldt dat het aan de docent/faculteit/universiteit is om de juistheid van de stelling aannemelijk te maken dan wel daarvan afstand te doen.

Ik hoop dat het bovenstaande u van dienst kan zijn bij de verdere behandeling van de klacht.

Met vriendelijke groet,

Dr. Peter Tellegen

Heymans Instituut RuG
Grote Kruisstraat 2/1
9712 TS Groningen

Literatuur

Resing, W.C.M. & Block, J.B. (2002). De classificatie van intelligentiescores: voorstel voor een eenduidig systeem. De Psycholoog, 37, 244-249.

Tellegen, P. (2000). Verantwoord testgebruik bij allochtonen. Een reactie. De Psycholoog, 35, 231-235.

Tellegen, P. (2001). Standpunten en verzinsels in de wetenschap. Het niveau van de discussie over testgebruik bij allochtonen. www.testresearch.nl (rubriek allochtonen).

Te Nijenhuis, J. & Van der Flier, H. (2001). Group differences in mean intelligence for the Dutch and third world immigrants. Journal of Biosocial Science, 33, 469-475.

Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests