Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie Bedenkelijke theorie Racistisch onderwijs? Racistisch onderwijs? Inge Versteegt Onschendbaarheid docenten
Reactie Koops & reactie Versteegt Reactie Koops & reactie Versteegt De Volkskrant Debat over racisme Brief Tellegen Misleidend onderwijs
Standpunt College van Bestuur Universiteit Utrecht College van Bestuur UU Rushton & Kalma aan het woord Rushton & Kalma Ras is biologisch nonsens concept Ras is biologisch nonsens concept
Zwakzinnig Afrika Zwakzinnig Afrika Domme neger is taboe Domme neger is taboe Onderzoek UU afgerond Onderzoek UU afgerond
Brief dr. A. Kalma Brief dr. A. Kalma Ras en IQ Ras en IQ Ras, rede en racisme Ras, rede en racisme

In 2003 is door de studente Inge Versteegt een klacht ingediend over de wijze waarop een docent van de Universiteit Utrecht de theorie van Rushton, aangaande verschillen in intelligentie tussen rassen, in het onderwijs heeft behandeld.
Het artikel uit de Volkskrant van 15 oktober geeft een overzicht van de gang van zaken.

September 2003

De onschendbaarheid van docenten aan de Universiteit Utrecht

Inge Versteegt

Ruim een half jaar na het pleidooi van de psychologiedocent voor de theorie over genetische inferioriteit van het Zwarte Ras (en de superioriteit van het Aziatische) is de vraag of een omstreden theorie op deze wijze mag worden behandeld in het universitair onderwijs, verzand in een ordinaire ruzie. De vraag is echter nog steeds niet beantwoord, namelijk, is deze wijze van presenteren correct geweest en is de klacht daarmee terecht ongegrond verklaard?
Ik heb de indruk dat het nooit de bedoeling is geweest dat deze vraag werd beantwoord, omdat de mogelijke uitkomst – een docent heeft een fout gemaakt - onwenselijk is. Om te voorkomen dat de ‘academische vrijheid’ van de docent zou worden aangetast, hebben opleiding en faculteit zich alle mogelijke moeite getroost om de klacht zo onvolledig en zo oppervlakkig mogelijk te behandelen, en om tenslotte de aandacht van het probleem zo te verleggen dat het onderwijskundige aspect ervan uit het zicht is verdwenen.

De manieren waarop dit is gebeurd wil ik hier volledigheidshalve opnoemen:

  • de opleiding heeft slechts de docent gehoord, en geen studenten benaderd die de lessen hebben bijgewoond
  • de decaan van de faculteit weigerde de klacht in hoger beroep in behandeling te nemen
  • de decaan beweerde bij navraag door de faculteitsraad, nooit een formeel verzoek te hebben ontvangen - hoewel deze per e-mail en per aangetekende brief was verstuurd
  • de decaan wilde niet verder beoordelen in hoeverre de docent correct had behandeld, wilde slechts een oordeel vragen aan een onafhankelijke deskundige over de wetenschappelijke houdbaarheid van de rassentheorie (mondeling werd overeengekomen: de door decaan voorgestelde prof. dr. Hofstee, en het door mijzelf voorgestelde LBR ), deze conclusies zouden worden overgenomen in een gezamenlijke verklaring - overigens is van deze afspraak niets schriftelijk vastgelegd
  • resultaat: ik werd in het gelijk gesteld door het LBR en in het ongelijk door de heer Hofstee
  • na drie maanden schreef de decaan zijn deel van de verklaring, waarin hij het oordeel van het LBR van tafel veegde met de opmerking dat deze instantie ‘niet competent is’ wetenschappelijke oordelen te vellen, met andere woorden dat alleen de conclusie van de heer Hofstee telt.
  • nadat de decaan had vernomen dat zijn reactie was doorgestuurd naar de pers, stelde hij vast dat ‘ zijn verantwoordelijkheid vereist dat ik niet meer tijd besteed aan u en uw klachten’, omdat ik mij niet aan de afspraak zou hebben gehouden ‘over deskundigenoordelen’. Waaruit ik opmaak dat hij zich aan de afspraak onttrekt omdat ik me aan de afspraak zou hebben onttrokken - hoe is mij niet duidelijk.

De decaan had gesteld dat zijn doel van deze gezamenlijke verklaring was, het maken van een protocol waaraan in de toekomst getoetst kon worden of een docent op de juiste manier een (omstreden) theorie heeft behandeld. De passage in de slottekst van de decaan die hierover gaat blijft echter uitermate vaag: “Aangezien het vanzelf spreekt dat in het wetenschappelijk onderwijs kritische aandacht voor theorieën van wie dan ook van het grootste belang is, is er geen bijzonder kritische houding ten aanzien van Rushton’s theorieën vereist”. Om te kunnen toetsen of het onderwijs van een docent over een bepaalde theorie laakbaar is of niet, moet toch eerst worden vastgelegd wat een kritische houding is, en waarin deze verschilt van een ‘bijzonder’ kritische houding .

Het verslag van het LBR - dat door de decaan terzijde is geschoven - legt de vinger wel op de zere plek. Hierin wordt benadrukt dat de docent misleidende informatie heeft verstrekt in zijn e-mail discussie, met name doordat hij beweert dat de wetenschappers die tegen (de theorie) ‘waren’ geen sterke argumenten hadden. Enig speurwerk op het internet levert immers vele inhoudelijke en methodologische kritiek op Rushton op, waaruit zelfs de beginnende student nog kan afleiden dat Rushton ernstige fouten heeft gemaakt in zijn dataverzamelingsmethode. Het is onbegrijpelijk dat zowel de docent, als de opleidingsdirecteur en de decaan van mening zijn dat ‘Rushton’ een voldoende empirische basis heeft en dat de wetenschappelijke kritiek zo summier is dat deze in een les niet behoeft te worden genoemd.

De heer Hofstee laat op verzoek van decaan Koops deze vraag dan ook buiten beschouwing, en spitst de kwestie toe op de vraag hoe open de wetenschappelijke arena moet zijn. Wat hem – maar ook wat mij – betreft gelden hierin geen taboes.
Het is naar mijn mening volstrekt zinloos om de academische vrijheid en eventuele ad hominem argumenten in deze kwestie te betrekken. De discussie tussen de docent en mij vond namelijk niet plaats in de ‘wetenschappelijke arena’- waarin alles gezegd moet kunnen worden -, maar in een onderwijskundige context. De antwoorden die de docent geeft op de vragen van mij als studente, moeten dan ook gelezen worden als een vorm van onderwijs, als een manier waarop de docent de student voorbereidt op deze wetenschappelijke arena.
Vanuit betoog-technisch oogpunt is het begrijpelijk dat de docent wetenschappelijke argumenten tegen Rushton en vragen omtrent diens achterliggende politieke motieven heeft willen bagatelliseren. Wanneer hij echter feitelijke onjuistheden aanvoert (namelijk de gerenommeerde reputatie van Rushton die zou blijken uit de waardering door het Charles Darwin Instituut- dat door Rushton zelf is opgericht) hanteert hij niet alleen zelf als eerste een ad hominem argument , maar verstrekt hij bovendien als docent valse informatie.

Of de docent dit nu wel of niet willens en wetens heeft gedaan, de opleiding had naar mijn mening moeten concluderen dat door het enthousiasme van de docent voor de rassentypologie het onafhankelijk kritisch onderwijs ernstig tekort is geschoten. Door het verzwijgen van de inhoudelijke kritiek op Rushtons methodologie tijdens de les, en door de passage over het Charles Darwin Instituut in de e-mail discussie, was immers ten onrechte de indruk gewekt dat de rassentypologie van Rushton een algemeen geaccepteerde wetenschappelijke theorie is die slechts door politieke activisten, dus zonder wetenschappelijke argumenten, wordt bestreden.
De opleiding had daarom de docent moeten verzoeken dit alsnog in de les recht te zetten, en als deze dit had geweigerd, had de opleiding zelf de studenten door middel van een brief of mailtje van de ontbrekende informatie op de hoogte kunnen brengen.

De opleiding, en later de decaan, stellen dat het niet mogelijk is eenmaal gegeven onderwijs te beoordelen. De opleiding had dit kunnen achterhalen door niet alleen met de betrokken docent, maar ook met enkele medestudenten te spreken. De decaan liet vanaf het begin weten dat hij niet van plan was te onderzoeken hoe de docent de theorie had behandeld. Hij gaf zelfs toe de betreffende stukken, zoals de e-mail correspondentie, niet te hebben gelezen en dat ook niet te zullen doen. Voor een schriftelijke verklaring van een medestudent toonde hij evenmin interesse, en ook de mening van de onafhankelijke klachtencoördinator - die officieel een bemiddelende rol heeft - heeft hij nooit gevraagd. Het oordeel van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie legt hij naast zich neer.

In plaats daarvan hecht de heer Koops slechts waarde aan de verklaring van prof.dr. Hofstee, zijn vroegere promotor. De heer Koops stelt dat de heer Hofstee bij uitstek geschikt is om een oordeel te vellen over de wetenschappelijkheid van Rushtons typologie. Met alle respect voor de kennis en kunde van de heer Hofstee, onderschrijf ik niet de idee dat ‘Rushton’ zo ingewikkeld zou zijn dat alleen de heer Hofstee deze zou kunnen beoordelen. Wellicht is de heer Hofstee wel beter dan de heer Koops in staat om de aandacht te verleggen van kwaliteit van onderwijs naar wetenschappelijke vrijheid, en om de aandacht weg te leiden van het feit dat het in de les behandelen van een theorie niet gelijk staat aan deze met leugens te verdedigen.

Nu de interne behandeling van deze kwestie op niets is uitgelopen, overweeg ik andere instanties als de onderwijsinspectie en de ombudsman op de hoogte te brengen van deze gang van zaken op de Universiteit Utrecht. Aangezien de betrokken docent niet meer werkzaam is op de Universiteit, en aangezien de decaan zich schaart achter de conclusies van de opleiding en die van de heer Hofstee - waarin positief wordt gesproken over de werkwijze van de betrokken docent - houd ik de Faculteit Sociale Wetenschappen in de persoon van de decaan verantwoordelijk voor de wijze waarop de theorie van Rushton in de les is behandeld.

Ik ben in al die tijd dat deze zaak speelt geen enkele wetenschapper tegengekomen die het voor de methode van Rushton inhoudelijk wil en kan opnemen. Wel ben ik op de Universiteit van Utrecht mensen tegengekomen die
onder het mom van waardenvrije wetenschap elkaar de hand boven het hoofd houden, daarbij en passant ruimte latend aan de onwetenschappelijke ideëen van een racist. Om met het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie te spreken: het gebrek aan verantwoordelijkheid is stuitend.

Inge Versteegt

Meer informatie is te vinden op de dicussiepagina van het LBR (Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie)
En op de website van de Utrechtse Universiteitskrant (zoek in ‘Archief’ naar Rushton).


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests