De COTAN en de WISC-III De COTAN en de WISC-III Verkoop WISC-III stopgezet Verkoop WISC-III voorlopig stopgezet Beoordeling WISC-III volgens COTAN-normen Beoordeling WISC-III volgens COTAN
WISC-III NDC aan gebruikers NDC aan gebruikers WISC-III De normering Normering WISC-III: representativiteit WISC-III Opmerkingen en Suggesties Handleiding WISC-III: opmerkingen
WISC-III Een illusie armer De WISC-III; Een illusie armer Afname WAIS-III of WISC-III? Afname WAIS-III of WISC-III? Steekproef WISC-III schiet te kort Steekproef WISC-III schiet te kort
Het herstel van de WISC-III Het herstel van de WISC-III De COTAN-beoordeling 2003 WISC-III De COTAN-beoordeling 2003 WISC-III de WISC-IV De WISC-IV
De aangepaste normen van de WISC-III De aangepaste normen van de WISC-III Critici WISC-III in het ongelijk gesteld Critici WISC-III in het ongelijk gesteld Boom stopt distributie WISC-III Boom stopt distributie WISC-III
Enquête toekomst WISC-III Enquête toekomst WISC-III Representatieve normen WISC-III van de baan Representatieve normen van de baan Hoe retourneer ik de WISC-III? Hoe retourneer ik de WISC-III?
Nieuwe CBS-tabel ontkracht WISC-III normen CBS-tabel ontkracht WISC-III normen Derde versie normen WISC-III Derde versie normen WISC-III .


Dit artikel is ook te downloaden als Word document: klik.

De Normen van de WISC-IIINL

Peter Tellegen

Persoonlijkheids- en Differentiële Psychologie, RuG

september 2002

Naar aanleiding van de gegevens in tabel 4.13a in de handleiding, waar 70% van de leerlingen uit het voortgezet onderwijs afkomstig lijkt te zijn van HAVO/VWO, zijn vragen gesteld over de representativiteit van de steekproef voor de Nederlandse kinderen vanaf 13 jaar.

Uit gegevens van het NDC blijkt dat in de leeftijd van 13 t/m 16 jaar het percentage HAVO/VWO leerlingen gelijk is aan 55% (2 van de 5 leerlingen in brugklas MAVO/HAVO zijn hierbij bij de HAVO-groep geteld). In de verschillende leeftijdsgroepen is dit percentage respectievelijk 53%, 50%, 61% en 58%. In 1999 was in de Nederlandse populatie echter 35% van alle leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs afkomstig uit HAVO/VWO (SCP, 2002, p. 99). Dit betekent dat de meer intelligente leerlingen sterk in de WISC-steekproef oververtegenwoordigd zijn.

Er is door het NDC opgemerkt dat dit effect, althans voor een deel, gecompenseerd zou zijn door in de Vlaamse steekproef het aantal lager opgeleiden te oververtegenwoordigen. Deze verklaring lijkt echter niet juist. Het gemiddelde IQ van de Nederlandse onderzoeksgroep van 13 t/m 16 jaar is 100.2 en wijkt dus nauwelijks van de beoogde 100 af. In de Belgische groep is het gemiddelde IQ 100.4.

Indien het percentage HAVO/VWO 35% moet zijn en indien de onderzochte HAVO/VWO-groep en de groep overigen representatief zijn, valt de veretekening van het IQ als volgt te berekenen. Het gemiddeld IQ van de HAVO/VWO-groep (55% van de onderzoeksgroep) is 108.9. Van de overigen (45%) is dit 89.6. Indien bij de groepen een weging wordt toegepast van 35% versus 65% wordt het gemiddelde IQ bij de vier oudste leeftijdsgroepen van de WISC-III 96.3. Dit betekent dat de normen bijna 4 punten te zwaar zijn. Door het normeringsmodel wordt dit effect enigszins verdeeld over de verschillende leeftijdsgroepen.

Het kan zijn dat het netto-effect wat anders uitvalt omdat hier alleen gekeken is naar de grens tot HAVO en daarboven. Mogelijk zijn de allerlaagste onderwijsniveaus ook oververtegenwoordigd.

De aantallen die het NDC geeft voor verschillende opleidingsniveaus stroken niet helemaal met de aantallen in tabel 4.13a. In de tabel is sprake van VMBO (theoretisch) met een N van 31. In de ons verstrekte gegevens is een VMBO-groep van 37 en een MAVO-groep van 31. Blijkbaar kan de tabel vollediger worden gepresenteerd.

Aan de hand van de gemiddelde proportie antwoorden goed per leeftijdsgroep, voor de gehele normgroep, is nagegaan of er inderdaad bij de leeftijd van 13 jaar een onverwacht grote stijging in de prestaties optreedt. Dit is gedaan voor de 10 subtests die samen het TIQ vormen vanaf de leeftijd van 8 jaar (bij de 6- en 7-jarigen wordt voor 2 subtests de ruwe score anders berekend).

In de volgende tabel staat in kolom 1 de leeftijd. In kolom 2 de gemiddelde moeilijkheidsgraad van de subtests (gebaseerd op tabel 4.3 van de handleiding).
In de derde kolom staat de toename in moeilijkheidsgraad t.o.v. het jaar daarvoor. Voor de leeftijd van 13.5 jaar is deze tussen haakjes gezet. Het is namelijk de vraag of bij deze leeftijd de toename niet versterkt is door een te hoog opgeleide onderzoeksgroep. Door middel van regressie met een kwadratische funtie is onderzocht hoe de toename in scores verandert met de leeftijd. Hierbij is de waarde voor de leeftijd van 13.5 jaar buiten beschouwing gelaten.

De multipele correlatie is .94. De voorspelde waarden staan in kolom 4. Het blijkt dat de verwachte toename van 12.5 naar 13.5 jaar gelijk is aan .035. De geobserveerde waarde was echter .052. Dit verschil van .017 komt ongeveer overeen met tweederde van de verandering die je rond de 14 jaar in één jaar verwacht. Van 14.0 naar 15.0 verandert het IQ met 6 punten. Tweederde komt overeen met de eerder gevonden vertekening van 4 IQ-punten.

Tabel 1
verandering in de moeilijkheidsgraad van de 10 hoofdsubtests
(1) leeftijd (2) gem. p (3) verandering p (4) geschatte verandering p
8.5 jaar .420 . .
9.5 jaar .486 .066 .068
10.5 jaar .551 .065 .059
11.5 jaar .590 .039 .050
12.5 jaar .640 .050 .042
13.5 jaar .692 (.052) .035
14.5 jaar .722 .030 .028
15.5 jaar .735 .013 .021
16.5 jaar .754 .019 .015

Een derde aanwijzing dat de steekproef vertekend is, is het gemiddelde IQ bij de WISC-III van de HAVO-leerlingen (gem. TIQ = 103.8) en van de VWO-leerlingen (gem. TIQ = 115.0). Bij de GIVO (Van Dijk & Tellegen, 1994), die rond 1990 werd genormeerd, was het gemiddelde IQ van beide groepen respectievelijk 111.1 en 118.6.

Al met al zijn er sterke aanwijzingen dat de normering voor de oudste leeftijdsgroepen niet correct is. Ten eerste zou aan de hand van meer gedifferentieerde gegevens nagegaan moeten worden op welke wijze de steekproef is vertekend (hierbij kunnen bijv. vijf onderwijsniveaus worden onderscheiden). Vervolgens kan met een gewogen berekening het IQ worden vastgesteld voor de situatie dat de niveaus correct waren veretegenwoordigd.

Indien de afwijkingen te groot zijn (bijv. meer dan 2 IQ-punten) kan een nieuwe normering worden uitgevoerd, hetzij puur d.m.v. weging van de reeds verzamelde gegevens, hetzij door aanvulling van de ondervertegenwoordigde groepen, eventueel in combinatie met weging. Indien voor pure weging wordt gekozen dient er rekening mee te worden gehouden dat een slechte afspiegeling van de populatie ook effect kan hebben op de uitkomsten m.b.t. betrouwbaarheid, factoranalyse, etc.

Indien aanvulling van de normgroep gewenst is, kan onderzocht worden of het verzamelen van deze gegevens niet gecombineerd kan worden met het hertest-onderzoek en de andere validiteits-onderzoeken die nog moeten worden uitgevoerd.

Literatuur

Bronneman-Helmers, H.M., Herweijer, L.J. & Vogels, H.M.G. (2002). Voortgezet Onderwijs in de jaren negentig. Den Haag: SCP.
Dijk, H. van & Tellegen, P.J. (1994). Handleiding GIVO Groninger Intelligentietest voor Voortgezet Onderwijs. Lisse: Swets & Zeitlinger.


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests