NIO Handleiding en Verantwoording NIO Handleiding en Verantwoording De NIO en de Givo De NIO en de Givo Supplement Handleiding Givo Supplement Handleiding Givo COTAN-beoordeling COTAN-beoordeling
Voorbeelden van Formulieren Voorbeelden van Formulieren


Let op:
de nieuwe ontwikkelingen waarover hieronder gesproken wordt, hebben geresulteerd in de NIO, de Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau.
Deze test, die door Boom test uitgevers wordt uitgebracht, zal in het najaar van 2004 verschijnen.

GIVO

Groninger Intelligentietest voor Voortgezet Onderwijs

Supplement bij de Handleiding

(verkorte tweede editie)

H. van Dijk & P.J. Tellegen

2001, Swets & Zeitlinger

1 Algemeen

Sinds de publicatie van de GIVO in 1994 wordt de test op grote schaal gebruikt. Het blijkt wenselijk om in de overgangssituatie van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs te kunnen beschikken over een instrument dat een betrouwbare en valide indicatie geeft van de opleidingsmogelijkheden van een leerling.

Zowel met betrekking tot het gebruik van de test als met betrekking tot het onderwijs gaan de ontwikkelingen verder. Dit heeft geleid tot uitgave van een aantal aanvullingen op de handleiding van de GIVO die nu in de Appendix zijn opgenomen. Tevens zijn een aantal uitkomsten van recent onderzoek toegevoegd. Hieronder geven we een kort overzicht van deze aanvullingen.

VMBO
Schooladviezen die zijn aangepast aan de nieuwe leerwegen van het VMBO kunnen worden gebaseerd op het GIVO-IQ. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de indeling die het CITO hanteert (zie hoofdstuk 2).

Praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs
De GIVO is één van de tests die geschikt is bevonden voor het beoordelen van cognitieve capaciteiten van leerlingen ten behoeve van het werk van regionale verwijzingscommissies. In hoofdstuk 3 wordt de relatie weergegeven tussen GIVO-IQ en de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs.

Normen voor groep 8
Op grond van extrapolatie zijn normen berekend voor afname van de GIVO in groep 8 van de basisschool, in de tweede helft van het schooljaar. De computerprogramma’s zijn hiervoor aangepast.

Onderzoeksuitkomsten
Onderzoek is uitgevoerd naar de stabiliteit van de testscores, naar de relatie tussen GIVO, CITO-toets en schoolprestaties, naar de prestaties van leerlingen op de GIVO in de eerste helft van groep 8 en naar de samenhang van de GIVO-scores met praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs (zie hoofdstuk 4).

COTAN-beoordeling
De GIVO is beoordeeld door de COTAN, de Commissie Testaangelegenheden van het Nederlands Instituut van Psychologen (Evers, Vliet-Mulder & Ter Laak, ”Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland”, Van Gorcum, 2000). Op grond van dit oordeel, dat hieronder is weergegeven, kan geconcludeerd worden dat de GIVO behoort tot de meest betrouwbare en valide intelligentietests die in Nederland verkrijgbaar zijn.

Uitgangspunten van de testconstructie goed
Kwaliteit van het testmateriaal goed
Kwaliteit van de handleiding goed
Normen voldoende
Betrouwbaarheid goed
Begripsvaliditei goed
Criteriumvaliditeit goed

Nieuwe ontwikkelingen
De veranderingen in de onderwijsniveaus binnen het voortgezet onderwijs en de behoefte om de GIVO te gebruiken in groep 8, maken het wenselijk een nieuw normeringsonderzoek voor de test uit te voeren. Schooladviezen kunnen dan beter op de nieuwe onderwijssituatie worden afgestemd. Tevens bleek uit commentaar van de gebruikers, en dit werd ondersteund door empirische analyses, dat voor jongere kinderen en voor kinderen met minder capaciteiten het onderdeel Synoniemen vaak te moeilijk is. In mindere mate geldt dit voor het onderdeel Tekens Invullen.

In februari 2001 is begonnen met de afname van de GIVO bij een landelijke steekproef van 20.000 leerlingen van het voortgezet onderwijs. Dit gebeurt in het kader van het Schoolloopbaanonderzoek VOCL’99 dat wordt uitgevoerd door het GION in samenwerking met het CBS. In dit onderzoek worden aangepaste, meer gemakkelijke, versies van de subtests Synoniemen en Tekens Invullen gebruikt. Samen met de gegevens van enkele duizenden leerlingen van groep 8 van de basisschool, zal op deze uitkomsten een nieuwe normering en een herziene uitgave van de GIVO worden gebaseerd. Deze GIVO-R zal op zijn vroegst in 2003 verschijnen.

2 Voorlopige GIVO-schooladviezen aangepast aan het vmbo

Ingaande het schooljaar 1999/2000 zijn (i)vbo en mavo samengevoegd tot het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Binnen het vmbo worden vier leerwegen onderscheiden:

  • basisberoepsgerichte leerweg,
  • kaderberoepsgerichte leerweg,
  • gemengde leerweg en
  • theoretische leerweg.

Momenteel is nog niet duidelijk welke eisen de leerwegen aan de leerlingen zullen stellen. Vanuit de praktijk is er echter sterke behoefte aan adviezen gebaseerd op de verwachte samenhang van cognitieve capaciteiten en de verschillende leerwegen. Er is daarom gekozen voor een benadering waarbij de bestaande niveau’s van (i)vbo en mavo zijn vertaald naar verwachte niveau’s van de leerwegen. Daarbij is onder meer gebruikgemaakt van de indeling van het Cito (Interpretatie van het leerlingrapport eindtoets basisonderwijs; Arnhem, 1998). De verwachting is dat er tussen gemengde leerweg en theoretische leerweg slechts minieme niveauverschillen zullen optreden wanneer het cognitieve capaciteiten betreft. Daarom worden deze leerwegen in het volgende schema wel onderscheiden doch niet gescheiden.

GIVO-IQ Schooladviezen aangepast aan het vmbo
75 – 80 basisberoepsgerichte leerweg
81 – 89 basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
90 – 93 kaderberoepsgerichte leerweg
94 – 96 kaderberoepsgerichte leerweg en gemengd/theoretische leerweg
97 – 101 gemengd/theoretische leerweg
102 – 105 gemengd/theoretische leerweg en havo
106 – 108 havo
109 – 113 havo/vwo
114 – vwo

3 Voorlopige GIVO-schooladviezen aangepast aan praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs

Het leerwegondersteunend onderwijs is een zorgsysteem binnen alle leerwegen van het vmbo. Voorheen kwamen hiervoor met name ivbo- en svo-lom-leerlingen in aanmerking. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor die leerlingen die niet in staat zijn om (deel)kwalificaties te behalen in het vervolgonderwijs. Voorheen waren dit met name de vso-mlk-leerlingen en de ivbo-leerlingen die de meeste moeite hadden om mee te komen. Uit een tweetal onderzoeken is gebleken dat de GIVO goed dienst kan doen voor de bepaling van het intelligentieniveau bij het toelaatbaarheidsonderzoek praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs:

  • Zicht op zorg: leerlingkenmerken en zorgvoorziening in het samenwerkingsverband vo-vso Voorne-Putten-Rozenburg (Cordys onderwijstrajecten, 2000).
  • Intelligentie en leerachterstand bij de toelating tot praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs (H. van Dijk, 2000).

Op grond van deze onderzoeken kunnen aanbevelingen worden gedaan omtrent de verwijzing naar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs. Hierbij is rekening gehouden met de eisen die door het ministerie van OC en W gesteld worden aan de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs.

GIVO-IQ Toelaatbaarheid tot:
60-74 + 3 jaar leerachterstand
praktijkonderwijs
75-80 afhankelijk van mate van leerachterstand
praktijkonderwijs/leerwegondersteunend onderwijs
81-89 + 1.5 jaar leerachterstand
leerwegondersteunend onderwijs
90-120 + 1.5 jaar leerachterstand + aanwezigheid sociaal-emotionele problematiek
leerwegondersteunend onderwijs

4 Onderzoeksuitkomsten

Stabiliteit van testscores
Van 70 kinderen waarbij in de eerste klas van het voortgezet onderwijs de GIVO is afgenomen, zijn ook de scores bekend op de CITO-eindtoets basisonderwijs en op de GALO die eveneens een jaar eerder was afgenomen. De GIVO is uit de GALO voortgekomen en vier van de zeven subtests van de GIVO zijn aan de GALO-subtests gelijk. De gemiddelde GIVO IQ-score was relatief hoog (gem.=104.7) met een relatief kleine spreiding (sd=12.9). Na correctie voor ‘restriction of range’ is de correlatie tussen GIVO en GALO .92 en de correlatie van de GIVO met de CITO-toets is .80. De correlatie van .92 met de GALO is maar in geringe mate lager dan de betrouwbaarheid van .96 van het GIVO-IQ, zeker wanneer de inhoudelijke verschillen tussen GIVO en GALO in aanmerking worden genomen. De uitkomsten in deze beperkte steekproef duiden op een hoge mate van stabiliteit van de GIVO-totaalscore over een periode van één jaar.

Relatie GIVO-CITO en schoolprestaties
Op een brede scholengemeenschap in de provincie Groningen zijn gedurende drie jaar alle leerlingen in de eerste klas met de GIVO getest en is de schoolloopbaan de daaropvolgende jaren bijgehouden. Van het grootste deel van deze kinderen is ook de score op de eindtoets basisonderwijs van het CITO bekend.

De correlatie tussen GIVO-IQ en CITO-score is hoog, namelijk .79 (N=1056). De verbale schaal van de GIVO correleert .72 met de CITO, de rekenkundige schaal .66 en de ruimtelijke schaal heeft een correlatie van .60 met de CITO-eindtoets basisonderwijs.

In tabel A.1 zijn de gemiddelde GIVO IQ-scores en CITO-totaalscores weergegeven voor de verschillende afdelingen in klas 1 en klas 4. Het aantal leerlingen in klas 1 is 1056, in klas 4 is dit aantal gereduceerd tot 864.

tabel A.1
Gemiddelde GIVO- en CITO-scores in klas 1 en klas 4
. GIVO CITO
Klas 1 N % gem. (sd) gem. (sd)
IVBO 54 5% 78.6 (6.9) 514.7 (4.1)
VBO/MAVO 391 37% 92.2 (8.0) 525.0 (6.9)
MAVO/HAVO 296 28% 102.6 (8.3) 534.2 (5.7)
HAVO/VWO 315 30% 112.9 (10.3) 542.8 (4.9)
totaal 1056 100% 100.6 (13.2) 532.4 (10.2)

. GIVO CITO
Klas 4 N % gem. (sd) gem. (sd)
IVBO 77 9% 82.8 (7.8) 516.4 (5.3)
VBO 261 30% 93.5 (7.7) 526.3 (6.9)
MAVO 272 31% 103.7 (9.1) 535.4 (6.3)
HAVO 117 14% 109.2 (8.5) 539.5 (5.9)
VWO 137 16% 116.4 (11.1) 544.7 (4.5)
totaal 864 100% 101.5 (13.2) 533.0 (10.2)

Zowel voor de GIVO als voor de CITO geldt dat de gemiddelde testscores sterk toenemen met het onderwijsniveau. Dit betreft zowel klas 1 als klas 4. Eta, een maat voor samenhang die in betekenis vergelijkbaar is met de correlatiecoëfficiënt, is voor de GIVO in klas 1 en 4 gelijk aan .75, respectievelijk .74. Voor de CITO is eta .82 respectievelijk .80. Wanneer eta voor de GIVO berekend wordt over de hele populatie, dus ook voor de leerlingen waarvan geen CITO-score bekend is, dan is deze in beide klassen .77 (N=1254). Dat eta voor de GIVO wat lager is dan voor de CITO-score, is niet verwonderlijk. De CITO-scores hebben namelijk een belangrijke rol gespeeld in de verwijzing naar het onderwijsniveau. Voor zowel de GIVO als voor de CITO-toets geldt dat zij een bijzonder hoge predictieve waarde hebben voor het onderwijsniveau, zowel op korte als op langere termijn.

Van 982 leerlingen zijn voor een groot aantal vakken de cijfers bekend op het eindrapport van het eerste schooljaar. Bij de presentatie van de uitkomsten zijn de gemiddelde cijfers op Engels, Duits en Frans samengenomen tot Vreemde talen. Informatieverwerking, biologie, aardrijkskunde en geschiedenis zijn samengenomen tot Algemene vakken en techniek, handvaardigheid, textiele werkvormen, tekenen en verzorging vormen de Praktische vakken. De correlaties van de cijfers met GIVO- en CITO-scores zijn per combinatieklas berekend en als gemiddelde over de combinatieklassen weergegeven. Door ‘restriction of range’ zijn de correlaties dus lager dan het geval zou zijn geweest bij een ongedeelde brugklas.

tabel A.2
Correlaties tussen rapportcijfers en GIVO- en CITO-scores
. GIVO .
Verbaal Rekenen Ruimtelijk GIVO-IQ CITO-totaal
Nederlands .26 .20 .06 .25 .35
Vreemde talen .16 .14 .02 .16 .23
Wiskunde .28 .45 .46 .53 .35
Algemene vakken .34 .23 .23 .38 .33
Praktische vakken .08 .06 .24 .18 .16
totaal vakken .29 .26 .26 .38 .37

In vergelijking tot de GIVO is er een sterkere samenhang van de CITO met het rapportcijfer voor Nederlands en de Vreemde talen. Daarentegen hangt de GIVO veel sterker samen met Wiskunde en ook met de Algemene vakken. Het verschil bij de praktische vakken, waarmee beide tests zwak correleren, is gering. Met het gemiddelde cijfer op alle vakken hangt de GIVO iets beter samen dan de CITO.

Van de verschillende onderdelen van de GIVO hangt het verbale deel het meest samen met het cijfer voor de algemene vakken, en daarnaast hangt het ook sterk samen met Nederlands en Wiskunde. Het rekenkundige deel hangt vooral met Wiskunde samen. Het ruimtelijk deel heeft ook een sterke relatie met Wiskunde en daarnaast met de Algemene vakken en met de Praktische vakken.

Ondanks de hoge correlatie tussen GIVO en CITO geven deze uitkomsten wel een verschil in accent aan: de GIVO is als intelligentietest meer op het (abstracte) redeneervermogen van de leerlingen gericht en de CITO is als schoolvorderingentoets meer gericht op de verbale vaardigheid.

Afname van de GIVO in groep 8 basisonderwijs
De extrapolatie van de normen voor gebruik van de test in groep 8 is voorzichtigheidshalve beperkt tot afname van de test in de tweede helft van het schooljaar, vanaf januari. Bij wijze van experiment is de test bij een grootschalig onderzoek al in oktober afgenomen bij leerlingen in groep 8. De extrapolatie is hierbij verder doorgetrokken. Omdat nog niet voldoende gegevens beschikbaar zijn voor een gedifferentieerde extrapolatie van de normering in groep 8 op subtestniveau, wordt de extrapolatie voor iedere subtest op dezelfde wijze uitgevoerd. De uitkomsten van het hier vermelde onderzoek kunnen meer informatie geven of deze wijze van extrapolatie tot plausibele uitkomsten leidt.

Het onderzoek is uitgevoerd bij 1325 leerlingen uit groep 8 van ruim 40 basisscholen in twee gemeenten in Noord-Holland. Voor de subtest Synoniemen is de nieuw ontwikkelde versie gebruikt die veel meer gemakkelijke items telt. In tabel A.3 wordt een overzicht gegeven van de gemiddelde testscores

Tabel A.3
Gemiddelde genormeerde testscores van leerlingen in groep 8 (N=1325)
. gem. (sd) . gem. (sd)
Synoniemen 99.0 (13.6) . Verbaal IQ 97.7 (13.6)
Verbale Analogieën 96.6 (16.2) Rekenkundig IQ 100.6 (12.8)
Categorieën 97.8 (14.1) Ruimtelijk IQ 98.3 (12.8)
Getallen 101.1 (13.8) ------------------------------------------
Tekens Invullen 100.1 (13.2) Totaal IQ 98.5 (11.6)
Uitslagen 97.3 (13.2) .
Figuren Intekenen 99.6 (14.9)

De gemiddelde genormeerde subtestscores wijken met een range van 96.6 – 101.1 niet sterk van elkaar af. Dat in deze gemeenten met een redelijk groot aantal allochtone leerlingen de prestaties op de verbale onderdelen wat lager zijn, is niet verwonderlijk. De normgroep van de GIVO bestond voor het grootste deel uit leerlingen uit Friesland en Groningen met relatief weinig allochtonen. De extrapolatie van de normen lijkt in dit opzicht succesvol, ook wanneer verder wordt geëxtrapoleerd dan eigenlijk bedoeld is.

Het valt wel op dat de spreiding geringer wordt in de volgorde van subtestscores, schaalscores en totaal-IQ. Dit kan het gevolg zijn van de meer algemene bevinding bij dergelijk onderzoek dat op jongere leeftijd minder samenhang bestaat tussen de testprestaties. Hiermee wordt bij de extrapolatie geen rekening gehouden. Het betekent dat de beoordeling van de intelligentie wat ‘voorzichtig’ uitvalt, in die zin dat de genormeerde scores relatief wat dichter bij de 100 liggen en dat wat minder zeer hoge of zeer lage schooladviezen worden gegeven. Dergelijke effecten zullen echter in mindere mate optreden wanneer de GIVO bij groep 8 pas in de tweede helft van het schooljaar wordt afgenomen.

Praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs
In het schooljaar 1998-1999 is bij 209 leerlingen op drie scholen in de provincie Groningen de IBO-differentiatietest (Koornstra, Neuwahl & Van Hoorn, 1979) afgenomen in het kader van toelatingsonderzoek tot praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs. De gemiddelde leeftijd van de leerlingen was 13.1 jaar en er waren 137 jongens en 72 meisjes. Het betrof leerlingen waarvan de afleverende school (meestal een basisschool) dacht dat ze voor praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs in aanmerking zouden komen of leerlingen die volgens de afleverende school naar het vmbo zonder leerwegondersteuning zouden kunnen doch met een te lage Cito-score.

Nadat in het schooljaar 1999-2000 de leerlingen waren toegelaten tot praktijkonderwijs (pro), vmbo met leerwegondersteuning (vmbo/lwo) of vmbo zonder leerwegondersteuning (vmbo), werd op één der drie scholen in het eerste jaar de GIVO afgenomen in het kader van leerlingbegeleiding. Op een andere school werd in het kader van advisering na de basisvorming op het eind van de tweede klas de GIVO afgenomen. In tabel A.4 staan de resultaten onder weglating van vijf leerlingen die naar een internationale schakelklas gingen.

tabel A.4
Gemiddelde IBO- en GIVO-scores naar plaatsingsniveau
. IBO . GIVO
N gem. (sd) N gem. (sd)
pro 10 75.0 (10.6) 2 75.5 (4.9)
vmbo/lwo 164 83.0 (8.8) 115 81.5 (9.4)
vmbo 30 94.5 (9.0) 25 91.2 (6.9)
totaal 204 84.3 (10.0) 142 83.1 (9.7)

De IBO-differentiatietest is gebruikt om leerlingen naar niveau te plaatsen. Dus de verschillen in gemiddelde IBO-IQ’s zijn mede een gevolg van gehanteerde plaatsingscriteria: een IQ kleiner of gelijk dan 90 voor vmbo/lwo en een IQ kleiner dan 75 voor pro, waarbij het gebied 75-80 als een overgangsgebied geldt. De GIVO is pas afgenomen toen de leerlingen al in de eerste, respectievelijk tweede klas zaten.

Dat de GIVO-IQ’s vrijwel hetzelfde discriminerend vermogen hebben als de IBO-IQ’s wil zeggen dat de criteriumvaliditeit cq. predictieve validiteit van de GIVO ook voldoet voor toelaatbaarheidsonderzoek bij praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs. In een tweetal onderzoeken van Schaap-Hummel, Klop en Van der Zwaal (“Zicht op Zorg”, Cordys onderwijstrajecten, 2000) en van Klop en Schaap-Hummel (“Zorg in Beeld”, Cordys onderwijstrajecten, 2000) werd ook gevonden dat de GIVO goed discrimineert tussen leerlingen van praktijkonderwijs, vmbo met leerwegondersteuning en vmbo zonder leerwegondersteuning.


to top to top to top to top

homepage T&T homepage SON-tests